201203038/1/V1.
Datum uitspraak: 28 februari 2013
RAAD VAN STATE
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 28 februari 2012 in zaak nr. 11/19336 in het geding tussen:
[de vreemdeling], mede voor zijn minderjarig kind,
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 28 februari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 18 mei 2011 niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank heeft voor deze overweging, volgens de staatssecretaris, ten onrechte redengevend geacht dat, nu hij zich aanvankelijk op het standpunt heeft gesteld dat de door de vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten geloofwaardig worden geacht, hij gehouden is een wijziging van dit standpunt zeer goed te motiveren en dat voormeld besluit onvoldoende blijk geeft van de redenen waarom hij tot een ander inzicht is gekomen.
2.1. In het voornemen tot afwijzing van de aanvraag van de vreemdeling van 12 januari 2011 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling gestelde feitelijke gebeurtenissen en omstandigheden geloofwaardig worden geacht. De staatssecretaris heeft dit voornemen ingetrokken en op 22 maart 2011 een nieuw voornemen tot afwijzing uitgebracht, waarin hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet wordt gevolgd in zijn verklaringen over zijn bekering en de daarmee samenhangende problemen alsmede zijn ontvoering. Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de vreemdeling zijn zienswijze over laatstgenoemd voornemen naar voren gebracht. Dit voornemen is in het besluit van 18 mei 2011 herhaald en ingelast.
2.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris bevoegd is om terug te komen van zijn beoordeling in het voornemen van 12 januari 2011 van de feiten die de vreemdeling aan zijn asielrelaas ten grondslag heeft gelegd. Indien de staatssecretaris een nieuw voornemen tot afwijzing van de aanvraag uitbrengt en dit in een besluit herhaalt en inlast, dient de rechter te toetsen of de aldus door de staatssecretaris in dit besluit gegeven motivering deugdelijk is. Nu de staatssecretaris niet in een eerder besluit, maar in een eerder voornemen het standpunt heeft ingenomen dat het asielrelaas van de vreemdeling geloofwaardig wordt geacht, brengt geen rechtsregel met zich dat hij in het besluit van 18 mei 2011 dient te motiveren waarom hij in het nieuwe voornemen tot een ander inzicht is gekomen. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte overwogen dat voormeld besluit niet deugdelijk is gemotiveerd, reeds omdat het onvoldoende blijk geeft van de redenen waarom hij tot een ander inzicht is gekomen.
2.3. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.
4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Assen, van 28 februari 2012 in zaak nr. 11/19336;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins de Vin en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Oudeboon van Rooij, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Oudeboon-van Rooij
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2013
487.
Verzonden: 28 februari 2013
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser