201306064/1/A2.
Datum uitspraak: 29 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 juni 2013 in zaak nr. 12/2096 in het geding tussen:
[appellante]
en
de Belastingdienst/Toeslagen.
Procesverloop
Bij besluit van 17 november 2011 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het aan [appellante] over 2011 toegekende voorschot kinderopvangtoeslag herzien op nihil vastgesteld.
Bij besluit van 4 april 2012 heeft de dienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Belastingdienst/Toeslagen heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Met toestemming van partijen heeft de Afdeling afgezien van behandeling van de zaak ter zitting en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen (hierna: Wko), zoals deze wet gold ten tijde van belang, is op deze wet de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) van toepassing.
Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, aanhef en onder b heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.
Ingevolge artikel 1.7, eerste lid, is de hoogte van de toeslag afhankelijk van:
a. de draagkracht,
b. de kosten van kinderopvang per kind.
Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Awir kan de Belastingdienst/Toeslagen een voorschot herzien.
Ingevolge het vijfde lid kan een herziening van het voorschot tot een terug te vorderen bedrag leiden.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen zich, nu het gastouderbureau, waarvan [appellante] gebruik maakte, vanaf 1 november 2010 niet meer in het register van de gemeente Zoetermeer is opgenomen, terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij vanaf dat moment geen aanspraak op kinderopvangtoeslag had en de dienst de over 2011 dientengevolge teveel betaalde voorschotten mocht terugvorderen met uitzondering van die over de maanden mei tot en met oktober, nu [appellante] de dienst op 22 maart 2011 heeft verzocht de betaling van het voorschot stop te zetten.
3. [appellante] betoogt dat de rechtbank daarmee heeft miskend dat, omdat de Belastingdienst/Toeslagen wist dat haar gastouderbureau niet meer was geregistreerd, op hem de plicht rustte om de betaling van het voorschot eigener beweging stop te zetten.
4. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 november 2012 in zaak nr. 201201029/1/A2 overwogen dat zodanige verplichting niet op de Belastingdienst rustte, nog daargelaten wat zou zijn als het anders was.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Van Meurs-Heuvel
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014
47.