ECLI:NL:RVS:2014:3566

ECLI:NL:RVS:2014:3566, Raad van State, 01-10-2014, 201310537/1/A2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 01-10-2014
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 201310537/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBROT:2013:7862
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 6 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0017017 BWBR0017252 BWBR0018472

Samenvatting

Bij onderscheiden besluiten van 23 augustus 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [wederpartij] over 2008 en 2009 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Uitspraak

201310537/1/A2.

Datum uitspraak: 1 oktober 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Belastingdienst/Toeslagen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2013 in zaak nr. 13/606 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 23 augustus 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de aan [wederpartij] over 2008 en 2009 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 18 december 2012 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 oktober 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de Belastingdienst/Toeslagen opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] moet beslissen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Belastingdienst/Toeslagen hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 9 mei 2014 heeft de Belastingdienst/Toeslagen, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op de bezwaren van [wederpartij] beslist. De bezwaren zijn daarbij wederom ongegrond verklaard.

Scheffers heeft tegen dit besluit gronden van beroep ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2014, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de dienst, en [wederpartij], bijgestaan door mr. S. Özogören, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze wet luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder kinderopvang verstaan: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen en opvoeden van kinderen tot de eerste dag van de maand, waarop het voortgezet onderwijs voor die kinderen begint.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op toeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten van kinderopvang, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling Wet kinderopvang (hierna: de Regeling), zoals deze regeling luidde ten tijde van belang, bevat de administratie van een gastouderbureau tevens de volgende gegevens: afschriften van alle met vraagouders overeengekomen schriftelijke overeenkomsten, vermeldende per overeenkomst: de voor de gastouderopvang te betalen prijs per uur en, indien van toepassing, de bemiddelingskosten, naam, geboortedatum, adres, postcode en woonplaats van het kind, het aantal uren gastouderopvang per kind per jaar, evenals de duur van de overeenkomst.

2. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de voorschotten kinderopvangtoeslag op nihil gesteld, omdat de kinderopvang niet heeft plaatsgehad op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, nu deze niet alle gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, bevat. Tevens heeft de dienst aan de nihilstelling ten grondslag gelegd dat [wederpartij] niet heeft aangetoond de kosten van kinderopvang volledig te hebben voldaan.

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat uit artikel 52 van de Wko niet volgt dat de overeenkomst de in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling vermelde gegevens dient te bevatten, zodat niet aan [wederpartij] mag worden tegengeworpen dat in de overeenkomst met gastouderbureau Bebegim het aantal uren kinderopvang en de prijs per uur niet zijn vermeld. De rechtbank is overigens van oordeel dat deze gegevens blijken uit de door [wederpartij] overgelegde facturen en urenregistratie, zodat de overeenkomst, gelezen in samenhang met deze stukken, moet worden geacht aan de daaraan te stellen eisen te voldoen.

Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen onvoldoende heeft gemotiveerd dat [wederpartij] niet heeft aangetoond dat zij de kosten van kinderopvang volledig heeft voldaan, nu de dienst niet concreet is ingegaan op de stukken die [wederpartij] in dat verband heeft overgelegd en haar onvoldoende heeft geïnformeerd over de bewijsstukken die van haar werden verwacht.

4. De Belastingdienst/Toeslagen betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat aan [wederpartij] niet mag worden tegengeworpen dat de door haar overgelegde overeenkomst niet de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, bevat. Zoals de Afdeling reeds in haar uitspraak van 22 januari 2014 in zaak nr. 201308683/1/A2 heeft overwogen, valt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling af te leiden dat bedoeld is dat onderzocht kan worden of de aanspraak van de ouder op en de hoogte van de overheidsbijdrage overeenkomt met de overeenkomst die de ouder heeft gesloten (Stcrt. 6 oktober 2004, nr. 192, blz. 6). Dit betekent dat de ouder, om aanspraak op kinderopvangtoeslag te kunnen maken, inzicht dient te geven in de met het gastouderbureau gemaakte afspraken over de kinderopvang, door een akte van een overeenkomst over te leggen, waaruit die afspraken blijken. Gelet hierop, dient de overeenkomst in elk geval de gegevens, vermeld in artikel 11, derde lid, aanhef en onder c, van de Regeling, te bevatten.

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, brengt de omstandigheid dat de ontbrekende gegevens uit andere stukken blijken niet met zich dat de overeenkomst moet worden geacht de benodigde gegevens te bevatten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 20 augustus 2014 in zaak nr. 201310838/1/A2; www.raadvanstate.nl), maakt de omstandigheid dat de Belastingdienst/Toeslagen langs andere weg met de benodigde gegevens bekend is geworden, niet dat de overeenkomst aan de daaraan te stellen eisen voldoet.

De conclusie is dat de rechtbank niet heeft onderkend dat kinderopvang niet op basis van een overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, heeft plaatsgehad en [wederpartij] daarom geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 18 december 2012 van de Belastingdienst/Toeslagen alsnog ongegrond verklaren.

6. Het besluit van 9 mei 2014 wordt, gelet op artikel 6:24 gelezen in verbinding met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4. is overwogen, is aan dat besluit de grondslag komen te ontvallen. Het zal om die reden worden vernietigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2013 in zaak nr. ROT 13/606;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen van 9 mei 2014, kenmerk BEZ13 BT07.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, griffier.

w.g. Van Altena w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2014

686.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?