201311303/2/A3.
Datum uitspraak: 30 januari 2014
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende de hoger beroepen van:
[verzoeker A] en [verzoekster B], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2013 in zaken nrs. 13/6193, 13/6194, 13/6868 en 13/6869 in het geding tussen:
[verzoekers]
en
de korpschef van politie.
Procesverloop
Bij onderscheiden brieven van 22 juli 2013 heeft de korpschef [verzoekers] medegedeeld dat zij worden verwijderd uit het tolkenbestand van de politie.
Bij onderscheiden besluiten van 28 oktober 2013 heeft de korpschef de door [verzoekers] daartegen gemaakte bezwaren niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 6 november 2013 heeft de voorzieningenrechter de door [verzoekers] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [verzoekers] hoger beroep ingesteld.
[verzoekers] hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 januari 2014, waar [verzoekers], onderscheidenlijk bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. A.C. van der Bent, advocaat te Rotterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. W. Andelbeek, werkzaam bij de politie, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2. De verzoeken strekken ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de besluiten van 28 oktober 2013 worden geschorst in afwachting van de uitspraak op de ingestelde hoger beroepen en dat de korpschef wordt gelast [verzoekers] op te nemen en opgenomen te houden in het tolkenbestand van de politie.
3. De voorzitter twijfelt of de brieven van 22 juli 2013 zijn aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Op voorhand ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat dit niet het geval is.
Voor het geval deze brieven wel als besluiten zijn aan te merken, omdat deze, zoals [verzoekers] hebben betoogd, de uitoefening van een gepretendeerde publiekrechtelijke bevoegdheid inhouden, twijfelt de voorzitter of die stand kunnen houden, nu in de Wet beëdigde tolken en vertalers het waarborgen van de integriteit van tolken is opgedragen aan de minister van Veiligheid en Justitie en de korpschef ter zake geen bevoegdheid is toegekend. Ook in dat geval kunnen [verzoekers] met hun verzoeken evenwel niet bereiken wat zij daarmee feitelijk beogen. Dat zij weer in het tolkenbestand zouden zijn opgenomen, brengt immers niet met zich dat de politiekorpsen hen weer voor tolkwerkzaamheden zouden moeten inhuren.
4. Gelet hierop bestaat aanleiding de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.
w.g. Van Buuren w.g. Klein
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2014
176-741.