ECLI:NL:RVS:2015:204

ECLI:NL:RVS:2015:204, Raad van State, 28-01-2015, 201405412/1/V6

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-01-2015
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 201405412/1/V6
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBZWB:2014:3357
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 7 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0007149

Samenvatting

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Uitspraak

201405412/1/V6.

Datum uitspraak: 28 januari 2015

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats]l, [gemeente],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 mei 2014 in zaak nr. 13/6147 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft de minister [appellante] een boete opgelegd van € 8.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 20 september 2013 heeft de minister het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door [appellante] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 januari 2015, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. W.F. Jacobson, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is verschenen.

Overwegingen

1. Gelet op artikel XXV van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving; Stb. 2012, 462, is op dit geding de Wav van toepassing zoals deze wet luidde tot 1 januari 2013.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wav is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

2. Het door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtseed opgemaakte boeterapport van 10 april 2012 (hierna: het boeterapport) houdt in dat uit onderzoek is gebleken dat twee vreemdelingen van Bulgaarse nationaliteit in de keuken van [restaurant], de onderneming van [appellante], arbeid hebben verricht, terwijl daarvoor geen tewerkstellingsvergunningen waren verleend.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor het laten verrichten van de werkzaamheden door de vreemdelingen tewerkstellingsvergunningen waren vereist. Volgens [appellante] voldeden de vreemdelingen aan de voorwaarden die hen als gezinslid het recht geven om iedere arbeid hier in Nederland te aanvaarden. De minister en de rechtbank hebben het beroep op Verordening (EEG) nr. 1612/68 van de Raad van 15 oktober 1968 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de gemeenschap (hierna de Verordening) ten onrechte gepasseerd, aldus [appellante].

3.1. Blijkens het boeterapport heeft de arbeidsinspecteur vastgesteld dat de vreemdelingen voorkomen in de Basisvoorziening Vreemdelingen (BVV). Bij beide vreemdelingen staat in de BVV bij het kopje verblijfstitel: 'Vw 2000 art. 8, onder e, toetsing aan het gemeenschapsrecht, arbeid specifiek'. Voor zover [appellante] meent dat de vreemdelingen hun verblijfsrecht ontlenen aan de omstandigheid dat zij gezinslid zijn van een werknemer als bedoeld in de Verordening, had het op haar weg gelegen om die stelling te staven, althans daar een begin van bewijs van te leveren. Zij heeft dat niet gedaan. De minister en rechtbank hebben het beroep van [appellante] op de Verordening reeds hierom terecht niet gehonoreerd.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Woestenburg-Bertels, griffier.

w.g. Steendijk w.g. Woestenburg-Bertels

lid van de enkelvoudige kamer griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2015

501.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?