201706051/1/V2.
Datum uitspraak: 18 augustus 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 13 juli 2017 in zaak nr. 17/5227 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Buitenlandse Zaken.
Procesverloop
Bij besluit van 25 november 2016 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een visum voor kort verblijf te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 23 februari 2017 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 juli 2017 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Akkaya, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Nu het hoger beroep zich richt tegen een uitspraak van de rechtbank over een visum voor drie maanden of minder, is de Afdeling kennelijk onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
Dat de rechtbank onder de uitspraak ten onrechte heeft vermeld dat bij de Afdeling hoger beroep kan worden ingesteld, doet de bevoegdheid om van het hoger beroep kennis te nemen niet alsnog ontstaan. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 7 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3284 en ECLI:NL:RVS:2016:3282).
2. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. W. Prins, griffier.
w.g. Verheij w.g. Prins
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2017
363-393.