201809164/1/V2.
Datum uitspraak: 25 november 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 19 oktober 2018 in zaak nr. NL17.14448 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 13 november 2017 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ingetrokken.
Bij uitspraak van 19 oktober 2018 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.W.J. van den Broek, advocaat te Eindhoven, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij had moeten toetsen of de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
1.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij bij een intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd niet toetst aan artikel 8 van het EVRM gelet op rechtspraak van het EHRM. Zo volgt, zoals de vreemdeling terecht in zijn schriftelijke uiteenzetting betoogt, uit het arrest van het EHRM van 12 juni 2012, Bajsultanov tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0612JUD005413110, dat ook als sprake is van een verblijfsvergunning die is verleend op asielgronden, getoetst moet worden of de intrekking daarvan in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat in paragraaf C5/4 van de Vc 2000, waarin het beleid over intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd is neergelegd, expliciet staat dat artikel 3.86 van het Vb 2000 in zijn geheel van toepassing is. Dus ook het zeventiende lid van dat artikel, waaruit volgt dat moet worden getoetst aan artikel 8 van het EVRM. De grief faalt.
2. Wat de staatssecretaris verder en de vreemdeling in het incidenteel hoger beroep hebben aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 512,00 (zegge: vijfhonderdtwaalf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Verheij w.g. Van Loon
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2019
284-853.