ECLI:NL:RVS:2019:4181

ECLI:NL:RVS:2019:4181, Raad van State, 11-12-2019, 201902183/1/V6

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 11-12-2019
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 201902183/1/V6
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Zittingsplaats 's-Gravenhage
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2019:2507
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 8 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0007149

Samenvatting

Bij besluit van 6 december 2017 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [wederpartij] een boete opgelegd van € 3.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Uitspraak

201902183/1/V6.

Datum uitspraak: 11 december 2019

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2019 in zaak nr. 18/4590 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats], handelend onder de naam [bedrijf]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2017 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [wederpartij] een boete opgelegd van € 3.000,00 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).

Bij besluit van 5 juni 2018 heeft de staatssecretaris het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2019 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 juni 2018 vernietigd voor zover het de hoogte van de boete betreft, het besluit van 6 december 2017 herroepen, de boete vastgesteld op € 2.700,00 en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 oktober 2019, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. C.D. van Brussel, is verschenen.

Overwegingen

1. Het door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW op ambtsbelofte opgemaakte boeterapport van 21 september 2017 houdt in dat een vreemdeling van Chinese nationaliteit (hierna: de vreemdeling) op 1 april 2016 werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van [wederpartij], zonder dat het UWV Werkbedrijf daarvoor een tewerkstellingsvergunning heeft afgegeven. Ook beschikte de vreemdeling niet over een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid. In hoger beroep is alleen de hoogte van de opgelegde boete in geschil.

2. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het EVRM, is overschreden. Volgens hem heeft de rechtbank om die reden ten onrechte aanleiding gezien de boete met 10% te matigen naar een bedrag van € 2.700,00.

2.1. Artikel 6, eerste lid, van het EVRM luidt: ‘Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. […]’

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2831) is de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overschreden indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Verder is, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad, waarbij de Afdeling zich aansluit, voor de beslechting van het geschil aangaande een bestraffende sanctie in eerste aanleg uitgangspunt dat deze niet binnen een redelijke termijn plaatsvindt, indien de rechtbank, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen twee jaar nadat die termijn is gaan lopen uitspraak doet. De redelijke termijn is begonnen op het moment dat het betrokken bestuursorgaan ten aanzien van de beboete een handeling heeft verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat het bestuursorgaan hem een boete zou opleggen (arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, en onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK5859).

2.3. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer de genoemde uitspraak van 9 december 2009) volgt dat een bestuursorgaan in de regel pas met de boetekennisgeving een handeling heeft verricht waaraan de beboete de verwachting mocht ontlenen dat het bestuursorgaan hem een boete zou opleggen. In de grote meerderheid van de gevallen zal daarom de dag waarop het bestuursorgaan deze kennisgeving doet, gelden als het tijdstip waarop de redelijke termijn aanvangt.

2.4. Uit het boeterapport volgt dat arbeidsinspecteurs van de Inspectie SZW [wederpartij] op 3 juni 2016 hebben gehoord en dat zij op die dag hebben aangekondigd dat een boeterapport zou worden uitgebracht. De staatssecretaris voert, onder verwijzing naar de uitspraak van 6 april 2011, jru, terecht aan dat die aankondiging te onbepaald van aard is om als handeling te worden aangemerkt waaraan [wederpartij] de verwachting mocht ontlenen dat de staatssecretaris haar een boete zou opleggen. De rechtbank heeft dus ten onrechte die aankondiging als tijdstip aangemerkt waarop de redelijke termijn is begonnen.

Omdat [wederpartij] aan de boetekennisgeving van 17 november 2017 wel in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat haar een boete zou worden opgelegd, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM op dat moment begonnen. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 28 februari 2019. De totale procedure in eerste aanleg heeft dus niet twee jaar of langer geduurd. Alleen al om deze reden heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de redelijke termijn is overschreden. Wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking.

Het betoog slaagt.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 2019 in zaak nr. 18/4590;

III. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Sevenster w.g. Groenendijk

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2019

164-887.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?