202004053/1/V6.Datum uitspraak: 31 maart 2021
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Bodegraven,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2020 in zaak nr. 19/6847 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
Procesverloop
Bij brief van 19 juni 2019 heeft de minister bepaald dat [appellant] op 1 december 2019 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 9.315,74 en hij moet maandelijks € 77,63 betalen.
Bij besluit van 18 september 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 11 juni 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. R.H. Zanting, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.C. Rots, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij brief van 17 april 2015 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is, dat zijn inburgeringstermijn op 23 februari 2015 is gestart en hij vóór 22 maart 2018 aan deze plicht moet hebben voldaan. De minister heeft de inburgeringstermijn ambtshalve verlengd tot en met 10 januari 2019. Bij besluit van 12 maart 2019 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 250,00 en bepaald dat hij de lening die hij bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) heeft afgesloten moet terugbetalen, omdat hij niet op tijd is ingeburgerd. Daarbij heeft de minister aangegeven dat [appellant] met het terugbetalen pas begint wanneer hij klaar is met inburgeren. Ook heeft de minister een nieuwe termijn gesteld tot en met 10 januari 2021. In de brief van 19 juni 2019 (hierna: de brief) heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij € 9.315,74 heeft geleend voor een cursus en/of examen, dat hij deze lening vanaf 1 december 2019 gaat terugbetalen en dat over de periode 1 december 2019 tot 1 december 2029 maandelijks een bedrag van € 77,63 zal worden geïncasseerd.
2. De minister heeft het bezwaar van [appellant] tegen de brief niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief volgens hem niet op rechtsgevolg is gericht. De brief verandert volgens de minister niets aan zijn rechten en plichten ten opzichte van eerdere besluiten waarin hij heeft besloten dat hij aan [appellant] een lening toekent.
3. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de brief niet op rechtsgevolg is gericht en hij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 12 maart 2019. Hij voert aan dat de brief wel op rechtsgevolg is gericht en een besluit is, omdat de minister hierin heeft bepaald wanneer hij de lening moet terug betalen, in welke termijnen hij dat zou moeten doen en welk bedrag hij aan DUO verschuldigd is. Volgens [appellant] mocht hij vertrouwen op de rechtsmiddelenclausule die de minister in de brief heeft opgenomen en heeft hij tussentijds geen andere besluiten ontvangen over de terugbetaling van de lening waartegen hij bezwaar had kunnen maken. Hij voert daarnaast aan dat het, gelet op de rechtszekerheid, niet logisch is als hij bezwaar zou moeten maken tegen zowel het besluit van 12 maart 2019 als de brief. [appellant] betoogt verder dat de minister had moeten beoordelen of hij in aanmerking kwam voor ambtshalve kwijtschelding van zijn lening. De minister had ook zijn inburgeringstermijn moeten verlengen wegens bijzondere omstandigheden. Door dit niet te beoordelen heeft de minister volgens [appellant] het besluit van 18 september 2019 onzorgvuldig voorbereid.
3.1. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de brief een besluit is waartegen bezwaar openstond slaagt, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2401. Uit deze uitspraak volgt dat de minister het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het betrekking heeft op de ambtshalve beoordeling of de schuld volledig moet worden kwijtgescholden en of de inburgeringstermijn verlengd moet worden, maar dat hij het ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het betrekking heeft op de in de brief neergelegde terugbetalingsverplichting.
4. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank had moeten doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 18 september 2019 vernietigen. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 juni 2020 in zaak nr. 19/6847;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 september 2019, kenmerk I-NO060/004363688;
V. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.136,00 (zegge: tweeduizend honderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.
w.g. Van Ecklid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2021
164-899.