202203413/1/V2 en 202203413/2/V2.
Datum uitspraak: 4 juli 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL22.6360 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.P.M. Ngasirin, advocaat te Ede, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De vreemdeling betoogt in de eerste grief tevergeefs dat hij wegens een gebrek aan kosteloze rechtsbijstand in Duitsland geen daadwerkelijk rechtsmiddel heeft tegen een eventuele afwijzing van zijn asielaanvraag aldaar. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat artikel 20, derde lid, van de Procedurerichtlijn lidstaten expliciet de mogelijkheid biedt om geen kosteloze rechtsbijstand aan te bieden wanneer het beroep volgens de rechterlijke instantie of een andere bevoegde autoriteit geen reƫle kans van slagen heeft en dat de vreemdeling in Duitsland tegen een dergelijk besluit kan procederen. Het betoog dat zo'n procedure leidt tot het overschrijden van de beroepstermijn in de asielprocedure, slaagt niet. Uit de laatste zin van voormelde bepaling volgt namelijk dat een procedure over kosteloze rechtsbijstand er niet toe mag leiden dat de daadwerkelijke toegang tot de rechter wordt belemmerd. Hierover kan de vreemdeling desgewenst in Duitsland procederen.
2. Wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd, leidt evenmin tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het betoog geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Renting, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Renting
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2022
894