202204483/1/V3 en 202204483/2/V3.
Datum uitspraak: 22 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 juli 2022 in zaak nr. NL22.6355 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 11 april 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 21 juli 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. T. der Bedrosian, advocaat te Enschede, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. De rechtbank heeft onder 6.1 van haar uitspraak namelijk terecht en op goede gronden overwogen dat omdat de vreemdeling internationale bescherming geniet in Denemarken voldaan is aan het bepaalde in artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000. Ook is de rechtbank onder 6.2 terecht en op goede gronden tot het oordeel gekomen dat de staatssecretaris niet ambtshalve hoefde te beoordelen of de vreemdeling op grond van zijn gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aanspraak maakt op een verblijfsrecht in Nederland. Die beoordeling komt pas bij de inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag of bij een reguliere verblijfsaanvraag aan de orde (zie de uitspraak van de Afdeling van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:122, onder 2.2). De uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, gaat over aanvragen voor gezinshereniging en gezinsvorming. De verwijzing van de vreemdeling naar die uitspraak kan hem al daarom niet baten.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.
w.g. Soffers
Voorzieningenrechter
w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2022
47-1017