ECLI:NL:RVS:2022:2668

ECLI:NL:RVS:2022:2668, Raad van State, 14-09-2022, 202107607/1/V1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 14-09-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202107607/1/V1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2021:12235
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 12 zaken
Aangehaald door 11 zaken
11 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005075 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 BWBR0011825 BWBR0012002 BWBR0024779 BWBR0040166 BWBR0042109 CELEX:32003L0086 EU:32003L0086

Samenvatting

Bij besluiten van 9 maart 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen om de vreemdelingen een mvv te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202107607/1/V1.

Datum uitspraak: 14 september 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

1. [vreemdeling sub 1],

2. [vreemdeling sub 2],

3. [vreemdeling sub 3] en

4. [vreemdeling sub 4]

(hierna samen: de vreemdelingen),

5. [vreemdeling sub 5] (hierna: referent),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 november 2021 in zaak nr. NL21.6515 in het geding tussen:

de vreemdelingen en referent

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 9 maart 2018 heeft de staatssecretaris aanvragen om de vreemdelingen een mvv te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 22 april 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen en referent gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen en referent ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 april 2021 vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op vreemdelingen 1 en 2, en bepaald dat dat besluit voor het overige in stand blijft.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen en referent, vertegenwoordigd door mr. L.I. Siers, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 20 juni 2022 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 9 maart 2018 door vreemdelingen 1 en 2 en referent gemaakte bezwaar gegrond verklaard en vreemdelingen 1 en 2 een mvv verleend.

De vreemdelingen en referent hebben een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1. In het nader stuk verklaren vreemdelingen 1 en 2 dat zij zich kunnen verenigen met het besluit van 20 juni 2022. Uit wat de vreemdelingen 1 en 2 aanvoeren, blijkt niet dat zij nog belang hebben bij een inhoudelijke behandeling van hun hoger beroep. Voor zover het hoger beroep voor vreemdelingen 1 en 2 is ingesteld, is het niet-ontvankelijk.

2. Het hoger beroep, voor zover ingesteld voor vreemdelingen 3 en 4, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3. De vreemdelingen en referent hebben verzocht om hun schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet de vraag of de zaak binnen een redelijke termijn is behandeld, worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Hiervan geldt een half jaar voor de bezwaarfase, anderhalf jaar voor de beroepsfase en twee jaar voor het hoger beroep. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, onder 4.3. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaar heeft ontvangen (onder meer de uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2562, onder 7.2).

3.2. De staatssecretaris heeft het door de vreemdelingen en referent gemaakte bezwaar ontvangen op 21 maart 2018. Vier jaar daarna, op 21 maart 2022, is de redelijke termijn verstreken. Inmiddels is de redelijke termijn met ruim zes maanden overschreden. Deze overschrijding is niet toe te rekenen aan de rechtbank of de Afdeling. De twee procedures bij de rechtbank hebben drieënhalve maand en elf maanden geduurd. De procedure bij de Afdeling heeft negen maanden geduurd. Zowel in beroep als in hoger beroep is de procedure dus binnen de termijn afgerond. Omdat het besluit na eerdere vernietigingen in beroep opnieuw aan de rechter is voorgelegd en in geen van de rechterlijke procedures de behandelingsduur langer is dan genoemd onder 3.1, is de overschrijding van de redelijke termijn volledig toe te rekenen aan de staatssecretaris.

3.3. De Afdeling veroordeelt de staatssecretaris wegens overschrijding van de redelijke termijn tot betaling van een bedrag van € 500,00 aan de vreemdelingen en referent als vergoeding van de door hen geleden immateriële schade. Daarbij wordt uitgegaan van een tarief van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk, voor zover ingesteld voor vreemdelingen 1 en 2. Het hoger beroep is ongegrond, voor zover ingesteld voor vreemdelingen 3 en 4. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, voor zover die betrekking heeft op vreemdelingen 3 en 4. De staatssecretaris moet de proceskosten voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld voor vreemdelingen 1 en 2, niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover die betrekking heeft op vreemdelingen 3 en 4;

III. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen en referent in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om aan de vreemdelingen en referent een schadevergoeding van € 500,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

w.g. Verheij

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Keizer

griffier

382-988

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?