202004727/1/A3.
Datum uitspraak: 23 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2020 in
zaak nr. 19/4409 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister voor Rechtsbescherming.
Procesverloop
Bij besluit van 1 mei 2019 heeft de minister een aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) afgewezen.
Bij besluit van 12 augustus 2019 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 17 juli 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
Met toestemming van partijen is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:57, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling heeft over een latere aanvraag van [appellant] om afgifte van een VOG op 1 december 2021 uitspraak gedaan en de afwijzing van die aanvraag in stand gelaten (ECLI:NL:RVS:2021:2705). Verder beschikt [appellant] naar aanleiding van een nieuwe aanvraag inmiddels over een VOG. Bij brief van 8 februari 2022 heeft zijn advocaat de Afdeling ervan in kennis gesteld dat er voor [appellant] geen procesbelang meer bestaat bij een inhoudelijke behandeling van de zaak en wordt verzocht om hem in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Bij deze stand van zaken ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant] geen procesbelang meer heeft.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk
3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.
Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2022
597