ECLI:NL:RVS:2022:906

ECLI:NL:RVS:2022:906, Raad van State, 25-03-2022, 202200288/1/V2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 25-03-2022
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202200288/1/V2
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 14 zaken
Aangehaald door 14 zaken
12 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005212 BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 BWBR0011825 BWBR0033715 CELEX:32004L0083 CELEX:32013L0032 CELEX:32013L0033 EU:32004L0083 EU:32013L0032 EU:32013L0033

Samenvatting

Bij besluit van 27 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202200288/1/V2.

Datum uitspraak: 25 maart 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 7 januari 2022 in zaak nr. NL21.9759 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 7 januari 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak en hem veroordeeld in de vergoeding van de proceskosten.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.J. Koolen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1. De staatssecretaris heeft opnieuw op de aanvraag van de vreemdeling beslist en haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. De vreemdeling heeft het door haar ingestelde hoger beroep gehandhaafd. Zij betoogt dat de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ten onrechte niet is verleend krachtens artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Ook betoogt de vreemdeling dat zij procesbelang heeft, omdat volgens haar de staatssecretaris niet alleen de proceskosten in beroep, maar ook in hoger beroep moet vergoeden.

2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de staatssecretaris aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft de vreemdeling het doel van de procedure bereikt. Daarom heeft zij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep. Er is daar slechts sprake van als de vreemdeling in een gunstigere positie zou kunnen komen (uitspraak van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:137). Een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd leidt daar niet toe (uitspraak van 28 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE1168). De vraag of de staatssecretaris moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in hoger beroep gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een beoordeling van het hoger beroep over te gaan (uitspraak van 7 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1253).

3. Niettemin moet worden bezien of de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de vreemdeling tegemoet is gekomen of als het procesbelang anderszins door zijn toedoen is vervallen (uitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1855). Niet in geschil is dat de inwilliging van de aanvraag is ingegeven door de uitspraak van de rechtbank waarbij de staatssecretaris is opgedragen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling overweegt dat met dit gegeven vaststaat dat de staatssecretaris niet is tegemoetgekomen aan wat de vreemdeling heeft betoogd in hoger beroep. Dat het besluit om de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aan de vreemdeling te verlenen is genomen nadat de vreemdeling hoger beroep heeft ingesteld, maakt dat niet anders. Daarnaast is niet gebleken dat het procesbelang anderszins door toedoen van de staatssecretaris is vervallen. Daarom bestaat geen aanleiding om de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten in hoger beroep te veroordelen.

4. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Tibold

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2022

853

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?