ECLI:NL:RVS:2023:2429

ECLI:NL:RVS:2023:2429, Raad van State, 22-06-2023, 202204245/2/R4

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 22-06-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202204245/2/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 5 zaken
Aangehaald door 3 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005212 BWBR0005537 BWBR0012810 BWBR0024779 BWBR0044308

Samenvatting

Bij besluit van 21 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum [verzoeker] gelast de meervoudige bewoning van de woning aan de [locatie] in Hilversum vóór 1 november 2021 ongedaan te maken, waarbij extra aangebrachte keukens, badkamers of andere faciliteiten die ervoor zorgen dat meervoudige bewoning mogelijk wordt gemaakt uit de woning dienen te worden verwijderd. Daarbij heeft het college een dwangsom opgelegd van € 4.000,00 per maand dat de overtreding niet is beëindigd, met een maximum van € 16.000,00.

Uitspraak

202204245/2/R4.

Datum uitspraak: 22 juni 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: de Awb) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te Hilversum,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) van 2 juni 2022 in zaak nrs. 22/1311 en 22/1318 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2021 heeft het college [verzoeker] gelast de meervoudige bewoning van de woning aan de [locatie] in Hilversum vóór 1 november 2021 ongedaan te maken, waarbij extra aangebrachte keukens, badkamers of andere faciliteiten die ervoor zorgen dat meervoudige bewoning mogelijk wordt gemaakt uit de woning dienen te worden verwijderd. Daarbij heeft het college een dwangsom opgelegd van € 4.000,00 per maand dat de overtreding niet is beëindigd, met een maximum van € 16.000,00.

Bij besluit van 25 januari 2022 heeft het college het door [verzoeker] tegen dat besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juni 2022 heeft de rechtbank het hiertegen door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 17 april 2023 heeft het college besloten over te gaan tot invordering van de door [verzoeker] verbeurde dwangsommen ten bedrage van € 16.000,00.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 juni 2023, waar het college, vertegenwoordigd door D. Schiltmeijer, is verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Een beoordeling van de door [verzoeker] tegen de aangevallen uitspraak voorgedragen hoger beroepsgronden zal plaatsvinden bij de behandeling van het geschil in de bodemprocedure. Over de vraag of in afwachting van de uitspraak van de Afdeling in de bodemprocedure aanleiding bestaat tot het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, wordt als volgt overwogen.

3. Het verzoek betreft uitsluitend het invorderingsbesluit van 17 april 2023. [verzoeker] heeft verzocht dit invorderingsbesluit te schorsen. [verzoeker] heeft aangegeven dat hij niet de beschikking heeft over € 16.000,00. Een financieel belang vormt in de regel onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. [verzoeker] kan immers financiële compensatie vorderen van het college, indien het besluit in de bodemprocedure niet in stand blijft. Dit kan anders zijn als [verzoeker] aannemelijk maakt dat hij in een financiële noodsituatie zal komen te verkeren indien het college uitvoering geeft aan het invorderingsbesluit. Daarvan is in dit geval geen sprake, aangezien [verzoeker] zijn financiële situatie op geen enkele wijze nader heeft toegelicht. Met het verzoek is daarom geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

4. Gelet op het voorgaande dient het verzoek te worden afgewezen.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Verheij

voorzieningenrechter

w.g. Melenhorst

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2023

490

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?