201904774/3/V3.
Datum uitspraak: 26 juli 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het verzoek van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
om proceskostenveroordeling in geval van intrekking van het hoger beroep (artikel 8:118, eerste lid, en 8:75 van de Awb).
Procesverloop
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 18 juni 2019 in zaak nr. NL19.13032.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.H. Hillen, advocaat te Tilburg, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij arrest van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, heeft het Hof van Justitie de door de Afdeling bij verwijzingsuitspraak van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3034, gestelde prejudiciële vraag beantwoord.
De staatssecretaris heeft het hoger beroep bij brief van 8 december 2022 ingetrokken.
De vreemdeling heeft de Afdeling bij brief van 10 januari 2023 verzocht de staatssecretaris te veroordelen in de bij hem opgekomen proceskosten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft het hoger beroep ingetrokken, nadat de vreemdeling kosten heeft gemaakt in verband met de prejudiciële procedure. De Afdeling ziet hierin echter geen aanleiding het verzoek van de vreemdeling toe te wijzen. Er is namelijk sprake van samenhangende zaken (artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht), en de staatssecretaris is bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2023:2829, al veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
2. Het verzoek wordt afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Steendijk
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2023
873