ECLI:NL:RVS:2023:3414

ECLI:NL:RVS:2023:3414, Raad van State, 07-09-2023, 202206925/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-09-2023
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202206925/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 14 zaken
Aangehaald door 5 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 BWBR0011825 CELEX:32003R0343 CELEX:32008L0115 EU:32003R0343 EU:32008L0115

Samenvatting

Bij besluit van 11 november 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Uitspraak

202206925/1/V3.

Datum uitspraak: 7 september 2023

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 28 november 2022 in zaak nr. NL22.23148 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 11 november 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 28 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.C. de Jong, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling en de staatssecretaris hebben nadere stukken ingediend.

Overwegingen

1. In zijn derde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte geen reden heeft gezien om ambtshalve de bewaring onrechtmatig te achten. Daarbij wijst de vreemdeling op de omstandigheid dat al ten tijde van de zitting uit het procesdossier bleek dat hij drie dagen in een politiecel is geplaatst voordat hij naar het detentiecentrum is vervoerd.

1.1. Voor bewaring wordt in de regel gebruik gemaakt van een gespecialiseerde inrichting (artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn). Dit is een Unierechtelijke voorwaarde voor bewaring, waarvan de bewaringsrechter de niet-naleving als daar aanleiding toe is ambtshalve moet vaststellen. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 6. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt verder dat een vreemdeling alleen in een niet-gespecialiseerde inrichting kan worden geplaatst als de bijzondere omstandigheden van het geval dat rechtvaardigen. De Afdeling wijst op het arrest W.M. van het Hof van 2 juli 2020, ECLI:EU:C:2020:511. Daarvan is in dit geval niet gebleken. De staatssecretaris heeft niet gemotiveerd waarom het nodig was om de vreemdeling drie dagen in een politiecel te plaatsen. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3290, onder 1.1. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande niet onderkend dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is geweest.

1.2. De grief slaagt.

2. Omdat de maatregel van bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 28 november 2022 in zaak nr. NL22.23148;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1890,00 over de periode van 11 november 2022 tot en met 28 november 2022, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.929,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

w.g. Steendijk

voorzitter

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 september 2023

873

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?