202302212/1/V3.
Datum uitspraak: 13 september 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 31 maart 2023 in zaak nr. NL23.5797 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 31 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Veenendaal, hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend, waarop de vreemdeling heeft gereageerd.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat volgens hem op grond van de Dublinverordening Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. De vreemdeling heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris heeft mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Kroatië.
2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2023:3411, heeft de staatssecretaris met het onderzoek naar de actuele situatie voor Dublinclaimanten in Kroatië de twijfel of hij voor Kroatië nog wel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gebaseerd op de serieuze aanknopingspunten voor het risico op pushbacks bij Dublinclaimanten, zoals die ten tijde van de uitspraak van 13 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1043, bestond, weggenomen. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de staatssecretaris aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan.
2.1. De vreemdeling legt niet uit waarom hij desondanks een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling bij overdracht aan Kroatië. De verwijzing door de vreemdeling naar het rapport van Asylum Information Database (AIDA), ‘Country Report: Croatia (Update 2021)’, van 22 april 2022, het rapport van Lighthouse Reports van 8 december 2022 en een rapport van Border Violence Monitoring Network van diezelfde datum leidt niet tot het oordeel dat de staatssecretaris niet van de informatie van de Kroatische autoriteiten mag uitgaan. Deze rapporten bieden namelijk geen aanknopingspunten voor het oordeel dat Dublinclaimanten als de vreemdeling niet worden opgenomen in de nationale asielprocedure.
De grieven falen.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2023
872-1017