ECLI:NL:RVS:2024:1791

ECLI:NL:RVS:2024:1791, Raad van State, 02-05-2024, BRS.24.000104

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 02-05-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BRS.24.000104
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:4815
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 4 zaken
7 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0005537 BWBR0011823 BWBR0011825 BWBR0012002 CELEX:32003R0343 EU:32003R0343

Samenvatting

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Uitspraak

BRS.24.000104

ECLI:NL:RVS:2024:1791

Datum uitspraak: 2 mei 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 april 2024 in zaak nr. NL24.12520 in het geding tussen:

[de vreemdeling],

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij uitspraak van 2 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt in zijn enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris aan de vereisten in paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000 heeft voldaan. Niet in geschil is dat de staatssecretaris op 27 maart 2024 bekend is geworden met de uitzettingsdatum van de vreemdeling. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris tijdens de zitting heeft toegelicht dat hij op diezelfde dag contact heeft gezocht met het Openbaar Ministerie (hierna: OM) om eventuele bezwaren tegen de voorgenomen uitzetting op 29 maart 2024 uit te vragen. Maar de vreemdeling wijst er terecht op dat de desbetreffende correspondentie met het OM niet aan het dossier was toegevoegd. Daargelaten of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de staatssecretaris in dit geval voldoende voortvarend aan de uitzetting heeft gewerkt, kon zij daarom niet controleren of op 27 maart 2024 nog was voldaan aan de vereisten in paragraaf A3/6.3, aanhef en onder c, van de Vc 2000 en daarmee of zicht op uitzetting niet ontbrak (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3819, onder 1). Dit maakt de bewaring met ingang van die datum onrechtmatig. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

2. De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring vanaf een eerder moment dan 27 maart 2024 onrechtmatig te achten.

3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 april 2024 in zaak nr. NL24.12520;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 300,00 over de periode van 27 maart 2024 tot en met 29 maart 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 mei 2024

846-1017

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?