202307856/1/V3.
Datum uitspraak: 29 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 december 2023 in zaken nrs. NL23.37954 en NL23.38114 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opgedragen het grondgebied van de Europese Unie te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Bij besluit van diezelfde datum heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 19 december 2023 heeft de rechtbank het beroep tegen het inreisverbod gegrond verklaard, en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Matadien, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in grief 1 terecht dat de uitspraak van de rechtbank geen beslissing vermeldt op het verzoek om toekenning van schadevergoeding in de zin van artikel 106 van de Vw 2000. De uitspraak is daarom in strijd met artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.
De grief slaagt.
2. Wat de vreemdeling in grief 2 aanvoert, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, maar alleen voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten op het verzoek om schadevergoeding te beslissen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd voor het overige. De Afdeling zal het verzoek om schadevergoeding alsnog afwijzen.
4. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 december 2023 in zaken nrs. NL23.37954 en NL23.38114, voor zover daarbij niet is beslist op het verzoek om schadevergoeding;
III. wijst het verzoek om schadevergoeding af;
IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2024
846