ECLI:NL:RVS:2024:3491

ECLI:NL:RVS:2024:3491, Raad van State, 28-08-2024, 202303169/1/R4

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 28-08-2024
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202303169/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBMNE:2023:4093
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0024779

Samenvatting

Bij brief van 2 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum aan [appellant] bekendgemaakt dat de door hem aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een carport, veranda en fietsenstalling en het verplaatsen van de toegangspoort en erfafscheiding op het perceel [locatie] in Hilversum van rechtswege is verleend. [appellant] heeft op 26 januari 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een carport, veranda en fietsenstalling en het verplaatsen van de toegangspoort en erfafscheiding op het perceel. Het college heeft bij brief van 2 juni 2021 aan [appellant] meegedeeld dat de vergunning van rechtswege is verleend. In het besluit op bezwaar van 4 oktober 2022 heeft het college zijn besluit volledig heroverwogen en de vergunning alsnog geweigerd. De rechtbank heeft deze weigering in stand gelaten. [appellant] is het hier niet mee eens.

Uitspraak

202303169/1/R4.

Datum uitspraak: 28 augustus 2024

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hilversum,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-­Nederland van 24 maart 2023 in zaak nr. 22/5089 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilversum.

Procesverloop

Bij brief van 2 juni 2021 heeft het college aan [appellant] bekendgemaakt dat de door hem aangevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen van een carport, veranda en fietsenstalling en het verplaatsen van de toegangspoort en erfafscheiding op het perceel [locatie] in Hilversum (hierna: het perceel) van rechtswege is verleend.

Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft het college, onder andere, het door [belanghebbende] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 2 juni 2021 herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij mondelinge uitspraak van 24 maart 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [belanghebbende] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een hybride zitting behandeld op 16 juli 2024, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.E. Beukers, advocaat te Bussum, en mr. S.T.E. Campbell, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. K.J.L. van Welzen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellant] heeft op 26 januari 2021 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een carport, veranda en fietsenstalling en het verplaatsen van de toegangspoort en erfafscheiding op het perceel. Het college heeft bij brief van 2 juni 2021 aan [appellant] meegedeeld dat de vergunning van rechtswege is verleend. In het besluit op bezwaar van 4 oktober 2022 heeft het college zijn besluit volledig heroverwogen en de vergunning alsnog geweigerd. De rechtbank heeft deze weigering in stand gelaten. [appellant] is het hier niet mee eens.

Het hoger beroep

2. [appellant] heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bezwaar van [belanghebbende] onverschoonbaar te laat is gemaakt. Het college had het bezwaar daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren, zodat het niet toe zou zijn gekomen aan een volledige heroverweging van de vergunning van rechtswege, aldus [appellant].

[appellant] heeft dit niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1730), beoordeelt de bestuursrechter de tijdigheid van het bezwaar ook niet ambtshalve. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.

Conclusie

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.D. Kamphorst, griffier.

w.g. Knol

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kamphorst-Timmer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2024

776-1069

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?