202206967/1/A3.
Datum uitspraak: 9 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellante B], wonend respectievelijk gevestigd in [plaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 27 oktober 2022 in zaak nr. 21/1674 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellante B]
en
de staatssecretaris van Financiƫn - Fiscaliteit en Belastingdienst.
Openbare zitting gehouden op 9 oktober 2024 om 15:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. W. den Ouden, voorzitter
Griffier: mr. F.B. van der Maesen de Sombreff
Jurist: mr. R.F.I de Lange
Verschenen:
De staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. C.J.M. Kluijtmans en drs. P. Atwaroe.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van rechtbank Overijssel van 27 oktober 2022, waarin de rechtbank het beroep van [appellant A] en [appellante B] tegen het besluit van 3 september 2021 ongegrond heeft verklaard. In dat besluit heeft de minister het bezwaar van [appellant A] en [appellante B] tegen de besluiten van 20 mei 2021, waarbij hun verzoeken om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) zijn afgewezen, ongegrond verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Motivering
De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de minister terecht de openbaarmaking van de documenten heeft geweigerd, omdat de informatie valt onder de geheimhoudingsplicht van artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) en deze bepaling in de weg staat aan openbaarmaking van de gevraagde informatie. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3317) is artikel 67, eerste lid, van de Awr een bijzondere openbaarmakingsregeling met een uitputtend karakter die prevaleert boven de Wob. Wat [appellant A] en [appellante B] in hoger beroep hebben aangevoerd geeft geen aanleiding om in dit geval van deze rechtspraak af te wijken. De rechtbank heeft het beroep terecht ongegrond verklaard.
Het hoger beroep is ongegrond.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Den Ouden
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Maesen de Sombreff
griffier
190-1114