202402347/1/V3.
Datum uitspraak: 23 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 16 april 2024 in zaak nr. NL24.13727 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 28 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 16 april 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. G.A. Dorsman, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De minister en de vreemdeling hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de heer ir. G.O. Koopman benoemd als deskundige voor het instellen van een onderzoek. De deskundige heeft op 3 september 2024 verslag uitgebracht. De vreemdeling heeft een zienswijze ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 11 september 2024, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. I.M. Genee, vergezeld van J. Dominicus, en de deskundige zijn verschenen. De zaak is gelijktijdig behandeld met zaken ECLI:NL:RVS:2024:4237 en ECLI:NL:RVS:2024:4238.
Overwegingen
1. Wat de vreemdeling in zijn eerste grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 24 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2979, onder 4.1 en 5, over de informatieplicht van de minister uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, van het Vb 2000). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2. De in de tweede grief opgeworpen vraag of de elektronische handtekening onder de maatregel van bewaring rechtsgeldig is, heeft de Afdeling bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2024:4237, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraak, die hier van overeenkomstige toepassing zijn, volgt dat de maatregel rechtsgeldig is ondertekend en daarmee rechtsgeldig tot stand is gekomen (artikel 5.3, eerste lid, eerste zin, van het Vb 2000). Dat betekent dat ook deze grief faalt.
3. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Van Dijk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2024
967