202405746/1/V3.
Datum uitspraak: 31 oktober 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 5 september 2024 in zaak nr. NL24.33628 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 augustus 2024 heeft de minister de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 5 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Boone, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht tot het oordeel gekomen dat de vreemdeling voldoende in de gelegenheid is gesteld om tijdens het gehoor zijn zienswijze over de voorgenomen maatregel naar voren te brengen. Zij wijst er terecht op dat de vreemdeling zelf heeft aangegeven dat hij niet op de tolk in zijn moedertaal (de Fula-taal) wilde wachten, maar dat hij in het Engels gehoord kon worden. Verder blijkt uit het proces-verbaal van het gehoor niet dat de vreemdeling de gestelde vragen niet goed heeft begrepen. Ook heeft hij de inhoud van dat proces-verbaal inhoudelijk niet bestreden of aangegeven dat bepaalde punten door de taalbarrière onderbelicht zijn gebleven. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de vreemdeling met behulp van een beëdigde tolk in zijn moedertaal gehoord had moeten worden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:94, onder 1.1).
1.1 Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Essenburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2024
644-1086