202406055/1/V2.
Datum uitspraak: 14 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 augustus 2024 in zaak nr. NL24.11462 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 30 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.R. Nohar, advocaat in Lemmer, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank heeft nagelaten om het besluit van 16 februari 2024 te vernietigen. Hij betoogt dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft gehecht aan het door haarzelf vastgestelde motiveringsgebrek.
1.1. In artikel 8:41a van de Awb is de plicht neergelegd dat de bestuursrechter streeft naar definitieve geschilbeslechting. Op zichzelf is het dus terecht dat de rechtbank ook in deze zaak daar zo ver mogelijk in probeert te komen. Toch had de rechtbank in dit geval het besluit van 16 februari 2024 moeten vernietigen en had zij de herbeoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas moeten overlaten aan de minister. De rechtbank heeft namelijk onvoldoende betekenis toegekend aan de door haarzelf vastgestelde omstandigheid dat de minister een wezenlijk element van het asielrelaas, namelijk dat er geen sprake is van een persoonlijk verhaal, ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Door vervolgens zelf het gewicht van de overblijvende elementen van het asielrelaas te bepalen, heeft de rechtbank het relaas ten onrechte zelf beoordeeld op geloofwaardigheid. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1513, onder 1.1.
1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 16 februari 2024 wordt vernietigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 augustus 2024 in zaak nr. NL24.11462;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 16 februari 2024, V-[nummer];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 november 2024
1021