202500261/1/V3.Datum uitspraak: 14 maart 2025
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 december 2024, en haar uitspraak van 9 januari 2025 in zaak nr. NL24.47452 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij tussenuitspraak van 23 december 2024 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen.
Bij brief van 7 januari 2025 heeft de minister kenbaar gemaakt van deze gelegenheid geen gebruik te zullen maken.
Bij uitspraak van 9 januari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 22 november 2024 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. de Schutter, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. De minister klaagt in zijn enige grief over het oordeel van de rechtbank dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling bij overdracht aan Bulgarije geen reëel risico loopt om verstoken te blijven van opvang en hij daar effectief tegen de weigering van opvang op kan komen. Bij dat oordeel heeft de rechtbank betrokken dat uit het AIDA-rapport Bulgarije over 2023 (verschenen in april 2024) volgt dat een reëel risico bestaat dat de vreemdeling geen opvang krijgt na zijn overdracht aan Bulgarije en dat asielzoekers bij een mondelinge weigering van opvang moeilijkheden ondervinden om die weigering te bewijzen, wat kan leiden tot stopzetting van de gerechtelijke procedure. Hierdoor is het maar zeer de vraag of sprake is van een effectief rechtsmiddel, aldus de rechtbank.
1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, volgt uit het onder 1 genoemde AIDA-rapport, meer in het bijzonder uit pagina 79, dat er een rechtsmiddel openstaat tegen de weigering van opvangvoorzieningen. De minister betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de informatie in dat
AIDA-rapport, zonder nadere concretisering, te summier is voor de conclusie dat dit rechtsmiddel niet effectief is. De theoretische mogelijkheid dat een gerechtelijke procedure kan worden stopgezet, omdat de vreemdeling niet kan bewijzen dat aan hem mondeling de toegang tot opvang is geweigerd, is daarvoor naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende.
De door de vreemdeling in hoger beroep overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. Uit het "Legal statement on the guarantees of the rights and the risk of human or degrading treatment of vulnerable refugee status holders or asylum seekers returned to Bulgaria" van het Center for Legal Aid Voice in Bulgaria, van 24 december 2024, volgt dat de toegang tot opvangvoorzieningen voor Dublinclaimanten niet gegarandeerd is. Uit de e-mailwisseling tussen VluchtelingenWerk Nederland en het Center for Legal Aid Voice in Bulgaria, van 29 januari 2025, volgt verder dat er geen gevallen bekend zijn waarin een rechtsmiddel is ingesteld tegen een mondelinge weigering van opvangvoorzieningen. Uit de e-mail van het Center for Legal Aid Voice in Bulgaria, van 30 januari 2025, volgt tot slot dat de State Agency for Refugees heeft bevestigd dat er geen rechtszaken aanhangig worden gemaakt tegen de weigering van opvang in Bulgarije. Hoewel deze stukken informatie bevatten over de toegang tot opvangvoorzieningen en het aantal rechtszaken over de weigering daarvan, volgt hieruit niet dat een rechtsmiddel tegen de weigering van opvang niet effectief is.
1.2. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraken van de rechtbank worden vernietigd. Het is niet nodig wat de minister verder aanvoert te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 23 december 2024 en haar einduitspraak van 9 januari 2025, beide in zaak nr. NL24.47452;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.
w.g. De Poortervoorzitter
w.g. Van Trappengriffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 maart 2025
347-1017