ECLI:NL:RVS:2025:126

ECLI:NL:RVS:2025:126, Raad van State, 15-01-2025, 202302519/1/A2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 15-01-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 202302519/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBNNE:2023:1959
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 3 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005289 BWBR0005537 BWBR0043252 BWBR0045187

Samenvatting

Bij brief van 23 november 2021 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat een verzoek van [appellant] om wijziging van het toepassingsgebied van drie financiële regelingen over de vergoeding van mijnbouwschade en subsidies in het aardbevingsgebied in Groningen afgewezen. [appellant] heeft bij brief van 31 juli 2021 verzocht om wijziging van de toepassingsgebieden van de Waardedalingsregeling van het Instituut Mijnbouwschade Groningen, de Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen en regelingen met betrekking tot het Nationaal Programma Groningen. De rechtbank heeft aan haar uitspraak ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris niet bevoegd is om de door [appellant] bedoelde regelingen te wijzigen.

Uitspraak

202302519/1/A2.

Datum uitspraak: 15 januari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 10 maart 2023 in zaak nr. 22/1057 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de staatssecretaris), thans: de minister van Klimaat en Groene Groei (hierna: de minister).

Procesverloop

Bij brief van 23 november 2021 heeft de staatssecretaris een verzoek van [appellant] om wijziging van het toepassingsgebied van drie financiële regelingen over de vergoeding van mijnbouwschade en subsidies in het aardbevingsgebied in Groningen afgewezen.

Bij besluit van 31 maart 2022 heeft de staatssecretaris het bezwaar van [appellant] tegen deze brief kennelijk ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 31 maart 2022 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2024, waar [appellant], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.G.C. Bulten, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de minister wordt hierna tevens verstaan: de staatssecretaris.

2. [appellant] heeft bij brief van 31 juli 2021 verzocht om wijziging van de toepassingsgebieden van de Waardedalingsregeling van het Instituut Mijnbouwschade Groningen, de Subsidieregeling verduurzaming, onderhoud en verbetering gebouwen aardbevingsgebied Groningen en regelingen met betrekking tot het Nationaal Programma Groningen.

3. De rechtbank heeft aan haar uitspraak ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris niet bevoegd is om de door [appellant] bedoelde regelingen te wijzigen. Het verzoek van 31 juli 2021 is niet gericht aan een bevoegd bestuursorgaan. Daarom is dit verzoek geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en is de reactie van de staatssecretaris daarop geen besluit waartegen bezwaar openstaat. Daarom had de staatssecretaris het bezwaar niet-ontvankelijk moeten verklaren.

4. [appellant] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, omdat de rechtbank volgens hem heeft miskend dat andere bestuursorganen in alle door hem aangedragen kwesties van de minister afhankelijk zijn en dat de minister in deze kwesties kennelijk als het bevoegd gezag wordt beschouwd.

4.1. In de schriftelijke uiteenzetting heeft de minister nader toegelicht waarom hij niet bevoegd is om de door [appellant] bedoelde regelingen te wijzigen. In het betoog van [appellant] in hoger beroep ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit niet juist is. De rechtbank is, gelet op de door haar vermelde uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2008 (ECLI:NL:RVS:2008:BC4253), terecht tot het oordeel gekomen dat het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzitter

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2025

452-1100

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?