202404744/1/V2.
Datum uitspraak: 9 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 5 juli 2024 in zaken nrs. NL21.12206 en NL22.7337 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 6 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd haar ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en haar ambtshalve krachtens artikel 64 van de Vw 2000 voorlopig uitstel van vertrek verleend.
Bij besluit van 23 december 2021 heeft de staatssecretaris geweigerd betrokkene ambtshalve uitstel van vertrek krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te verlenen.
Bij besluit van 14 april 2022 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juli 2024 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 6 juli 2021 en 14 april 2022 door betrokkene ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat in Velp, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister de asielaanvraag van betrokkene ingewilligd. Dit betekent dat betrokkene een verblijfsrecht heeft en dat zij dus in Nederland mag blijven. Daarom hebben de door de minister in het hogerberoepschrift bestreden overwegingen van de rechtbank over het uitstel van vertrek geen praktische betekenis meer. Daarom heeft de minister geen belang meer bij een beoordeling van haar hogerberoepschrift. De Afdeling ziet in dit specifieke geval in de door de minister gestelde precedentwerking van de overwegingen van de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. Salverda, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Salverda
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2025
992