202403468/1/A2.
Datum uitspraak: 14 april 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 april 2024 in zaak nr. 23/4545 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 14 april 2025 om 10:00 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. M. Rijsdijk
Jurist: mr. J.M.W. Beers
Verschenen:
[appellante], vertegenwoordigd door mr. R.A. Dayala, advocaat in Amsterdam;
het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Boorn.
====================================
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van 24 april 2024 van de rechtbank Amsterdam, waarbij de rechtbank het beroep van [appellante] tegen het besluit van het college van 12 juni 2023 ongegrond heeft verklaard. Bij dit besluit heeft het college het bezwaar van [appellante] tegen het besluit van 31 januari 2023 tot afwijzing van haar aanvraag om een urgentieverklaring ongegrond verklaard.
Beslissing:
De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Gronden:
De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in overwegingen 5.3, 6.2 en 7.3 gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling is het hiermee eens en ziet geen aanleiding om anders te oordelen. [appellante] heeft ook in hoger beroep geen bewijsstukken aangeleverd over de door haar gestelde slechte gezondheidstoestand, die zou moeten leiden tot toepassing van de hardheidsclausule. De Afdeling voegt daar nog aan toe dat zij uit de toelichting op de zitting de problematiek van [appellante] heeft begrepen, maar dat het onzeker is of de aard van deze problematiek - twijfel over de zelfredzaamheid van [appellante] - kan leiden tot toepassing van de hardheidsclausule bij een toekomstige urgentieaanvraag. De Afdeling geeft [appellante] daarom in overweging, zoals de rechtbank ook al heeft gedaan, dat een aanvraag op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning hiervoor wellicht een betere oplossing biedt dan een urgentieverklaring.
Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
griffier
705-972