ECLI:NL:RVS:2025:2027

ECLI:NL:RVS:2025:2027, Raad van State, 07-05-2025, 202407781/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 07-05-2025
Datum publicatie 14-05-2025
Zaaknummer 202407781/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:21986
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 8 zaken
Aangehaald door 2 zaken
9 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0005848 BWBR0006358 BWBR0009709 BWBR0011823 CELEX:32008L0115 CELEX:32013L0033 EU:32008L0115 EU:32013L0033

Samenvatting

Bij besluit van 30 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Uitspraak

202407781/1/V3.

Datum uitspraak: 7 mei 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:

1. de minister van Asiel en Migratie,

2. [betrokkene],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.48881 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2024 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 20 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ali, advocaat in Almere, heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Dit stuk wordt ook als een schriftelijke uiteenzetting aangemerkt.

Overwegingen

Het hoger beroep van de minister

1. De minister komt terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het JCS onder de omstandigheden ten tijde van de grensdetentie van betrokkene geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie meer was in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn en dat de tenuitvoerlegging van de grensdetentie daarom onrechtmatig is. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:258, en 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:789.

1.1. De grief slaagt.

Het incidenteel hoger beroep van betrokkene

2. Gelet op artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is geen incidenteel hoger beroep mogelijk in een grensdetentiezaak. Het incidenteel hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.

Conclusie over het hoger beroep

3. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Het beroep

4. De beroepsgrond dat de bewaring onevenredig bezwarend is vanwege de medische omstandigheden van betrokkene, slaagt niet. De minister heeft zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat er in het JCS een medisch centrum aanwezig is, waar betrokkene zich toe kan wenden. Tijdens het nader gehoor van 10 december 2024 heeft betrokkene verklaard dat hij weliswaar andere medicijnen heeft gekregen voor zijn bloedstolling, maar dat die dezelfde werking hebben als de medicijnen die hij normaal gesproken heeft. Betrokkene stelt dat de medische dienst niet heeft gereageerd nadat hij zijn medische gegevens had opgevraagd, maar ook dat hij herhaaldelijk een arts heeft gezien. De minister heeft in deze omstandigheden daarom geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen.

5. Omdat de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de grensdetentie onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 december 2024 in zaak nr. NL24.48881;

IV. verklaart het beroep ongegrond;

V. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.

w.g. Soffers

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Jong

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025

981

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. N.A. de Jong

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?