202307092/1/V2.
Datum uitspraak: 7 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 november 2023 in zaak nr. NL23.7875 in het geding tussen:
[betrokkene], mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 10 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. C. Mayne, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Betrokkene heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is van Palestijnse afkomst en is staatloos. Zij komt uit de Westelijke Jordaanoever en is geregistreerd als vluchteling bij de United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (hierna: UNRWA). Tot haar vertrek uit het UNRWA-werkgebied heeft zij bescherming van deze organisatie genoten. De minister heeft een eerdere asielaanvraag van betrokkene afgewezen, omdat zij vrijwillig het UNRWA-werkgebied heeft verlaten zonder dat is gebleken dat de bescherming of bijstand van de UNRWA op dat tijdstip was opgehouden. Daarom was betrokkene volgens de minister op grond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag, en daarmee artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn, uitgesloten van de werking van het Vluchtelingenverdrag. Dat afwijzende besluit is in rechte onaantastbaar geworden.
2. Betrokkene heeft in haar opvolgende asielaanvraag gewezen op verschillende bronnen waaruit volgens haar blijkt dat de UNRWA niet meer in staat is de levensstandaard te bieden die strookt met haar opdracht. De minister heeft deze stukken niet betrokken bij de beoordeling, omdat deze dateren van na het vertrek van betrokkene uit het UNRWA-werkgebied. Volgens de minister is de situatie op het tijdstip van vertrek uit dat gebied bepalend voor de toepasselijkheid van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag.
3. De toepasselijke regelgeving en relevante citaten uit de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het hoger beroep van de minister
4. De minister klaagt in haar eerste en tweede grief over het oordeel van de rechtbank dat zij ten onrechte niet heeft beoordeeld of - gelet op de door betrokkene overgelegde landeninformatie over de situatie op de Westelijke Jordaanoever - de UNRWA na het vertrek van betrokkene nog in staat was op de Westelijke Jordaanoever leefomstandigheden te bieden die stroken met haar opdracht. De minister betoogt dat voor de toepassing van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag bepalend is of de bescherming of bijstand van de UNRWA op het tijdstip van vertrek was opgehouden. Omdat betrokkene vrijwillig is vertrokken, was zij blijvend uitgesloten van de werking van het Vluchtelingenverdrag en hoefde de minister niet opnieuw te beoordelen of betrokkene op grond van de zogenoemde insluitingsgrond weer onder de werking van het Vluchtelingenverdrag viel. Dit volgt volgens de minister uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2446, en het arrest van het Hof van 3 maart 2022, NB en AB, ECLI:EU:C:2022:151, punten 53 en 56 tot en met 58. Verder betoogt de minister dat, als het voorafgaande niet wordt gevolgd, betrokkene aannemelijk moet maken dat de UNRWA in haar specifieke geval niet aan haar opdracht kan voldoen.
Reactie minister op het arrest SN en LN
5. Het Hof heeft op 13 juni 2024 het arrest SN en LN, ECLI:EU:C:2024:494, gewezen. In dit arrest gaat het Hof onder meer in op het tijdstip waarop moet worden beoordeeld of de bescherming of bijstand van de UNRWA is opgehouden. De Afdeling heeft de minister gevraagd wat dit arrest volgens haar betekent voor haar standpunt in deze zaak.
5.1. De minister stelt in haar reactie dat het arrest SN en LN geen aanleiding geeft om haar in het hogerberoepschrift ingenomen standpunt te wijzigen. Het arrest lijkt, net als het arrest AB en NB, ook te gaan over de situatie dat de betrokkenen een geldige reden hadden om het UNRWA-werkgebied te verlaten. Volgens de minister kan uit de punten 75 tot en met 87 van het arrest SN en LN niet goed worden opgemaakt hoe het Hof de ex nunc-beoordeling - de beoordeling van de situatie ten tijde van de besluitvorming en de situatie ten tijde van het beroep - ziet bij vrijwillig vertrek uit het UNRWA-gebied. De minister leidt uit de punten 80 tot en met 84 van het arrest af dat aan drie cumulatieve vereisten moet worden voldaan, voordat een betrokkene onder de insluitingsgrond van artikel 1(D) kan vallen. Die vereisten zijn dat op alle drie de in het arrest genoemde beoordelingsmomenten - het tijdstip van vertrek, het tijdstip van de beslissing op het verzoek om internationale bescherming en het tijdstip van de rechterlijke beoordeling daarvan - de bescherming of bijstand van de UNRWA moet zijn opgehouden. De minister stelt dat betrokkene in deze zaak al bij het eerste beoordelingsmoment niet voldeed aan het vereiste dat de bescherming of bijstand van de UNRWA was opgehouden. Daarom hoefde zij de actuele situatie in het UNRWA-werkgebied niet bij haar beoordeling te betrekken.
De achtergrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag
5.2. Artikel 1(D), eerste volzin, van het Vluchtelingenverdrag sluit personen die bescherming krijgen van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR, uit van de werkingssfeer van het Vluchtelingenverdrag. Dat betekent dat die personen zijn uitgesloten van de vluchtelingenstatus. Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:447, onder 4.2. Deze uitsluiting berust op de vooronderstelling dat die personen de bescherming van het Vluchtelingenverdrag niet nodig hebben, omdat zij al op een andere wijze bescherming hebben gevonden. De UNRWA is een orgaan van de Verenigde Naties als bedoeld in artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en is opgericht om Palestijnse vluchtelingen bescherming en bijstand te bieden. Het doel van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag is om te waarborgen dat Palestijnse vluchtelingen blijvend als een aparte categorie worden erkend en zij blijvend bescherming en bijstand kunnen blijven genieten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1, onder 6.2. Artikel 1(D), tweede volzin, van het Vluchtelingenverdrag bepaalt dat, wanneer de bescherming of bijstand van het orgaan van de Verenigde Naties is opgehouden, de personen die door dat orgaan werden beschermd, van rechtswege onder de werking van het Vluchtelingenverdrag vallen. Zij hebben in beginsel dan recht op een vluchtelingenstatus. Zie de uitspraken van de Afdeling van 3 januari 2022, onder 6.1, en 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1550, onder 7. Door dit systeem wordt de bescherming van deze groep vluchtelingen gegarandeerd.
Tijdstip van beoordeling of de UNRWA nog bescherming of bijstand kan bieden
5.3. Het betoog van de minister dat voor de toepassing van de insluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag en artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, tweede volzin, van de Kwalificatierichtlijn bepalend is of de bescherming of bijstand van de UNRWA op het tijdstip van vertrek uit het UNRWA-werkgebied was opgehouden, slaagt niet. Hoewel de minister terecht betoogt dat dit zou kunnen worden afgeleid uit de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2446, onder 4.6, volgt de Afdeling dit betoog niet. Uit rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat dit anders moet worden beoordeeld. De Afdeling gaat hierna in op het beoordelingskader dat uit die rechtspraak volgt.
5.4. Het Hof heeft in het arrest SN en LN, punt 67, bevestigd dat alleen een vrijwillig vertrek uit het UNRWA-werkgebied geen einde maakt aan de uitsluiting van de vluchtelingenstatus. Maar als een betrokkene wegens omstandigheden buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil gedwongen is het werkgebied van de UNRWA te verlaten, omdat, nadat de UNRWA daarom is verzocht, de UNRWA niet in staat is in dat gebied de levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee zij is belast, dan volgt uit rechtspraak van het Hof dat de betrokkene valt onder de insluitingsgrond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, tweede volzin, van de Kwalificatierichtlijn. Zie het arrest NB en AB, punt 50, en het arrest SN en LN, punt 71. Uit het arrest NB en AB, punt 53, volgt dat voor de beoordeling of de UNRWA nog bijstand of bescherming kan verlenen in eerste instantie het tijdstip waarop de betrokkene het UNRWA-werkgebied heeft verlaten, bepalend is.
5.5. Uit rechtspraak van het Hof volgt ook dat de bevoegde nationale autoriteiten rekening moeten houden met de omstandigheden op het tijdstip waarop zij een besluit nemen op de asielaanvraag en dat de rechterlijke instanties rekening moeten houden met de omstandigheden op het tijdstip waarop zij beslissen op het beroep tegen een besluit waarbij de asielaanvraag is afgewezen. De bevoegde administratieve autoriteiten en rechterlijke instanties moeten niet alleen nagaan of het vertrek uit het UNRWA-werkgebied een gedwongen karakter heeft, maar ook of op het tijdstip waarop een besluit op de aanvraag wordt genomen of op het tijdstip dat op een beroep tegen een afwijzend besluit wordt beslist, de betrokkene de bescherming of bijstand wordt ontzegd, omdat de situatie in het UNRWA-werkgebied is verslechterd. Vergelijk het arrest NB en AB, punten 53, 57 en 58, en het arrest SN en LN, punt 75. Uit rechtspraak van het Hof over artikel 4, derde lid, van de Kwalificatierichtlijn volgt dat de administratieve autoriteiten rekening moeten houden met alle relevante feiten op het tijdstip waarop zij op de aanvraag beslissen. En uit rechtspraak over artikel 46, derde lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat de bevoegde rechter rekening moet houden met alle gegevens die een geactualiseerde beoordeling van het concrete geval mogelijk maken, vergelijk het arrest SN en LN, punt 76. Het is op zijn minst vereist dat in beroepsprocedures in eerste aanleg een geactualiseerde beoordeling van het geval kan worden gemaakt, vergelijk het arrest van het Hof van 4 oktober 2018, Ahmedbekova en Ahmedbekov, ECLI:EU:C:2018:801, punt 92, en het arrest NB en AB, punt 55.
5.6. De Afdeling leidt uit het voorafgaande af dat de beoordeling of een betrokkene bescherming of bijstand wordt ontzegd dus niet beperkt blijft tot het tijdstip van vertrek uit het UNRWA-werkgebied, maar ook moet plaatsvinden op het tijdstip waarop de minister beslist op het verzoek om internationale bescherming en op het tijdstip waarop de rechter het beroep tegen een afwijzend besluit beoordeelt. Dat laatste volgt ook uit artikel 83 van de Vw 2000.
5.7. Het betoog van de minister dat zij alleen rekening hoeft te houden met omstandigheden van na het tijdstip van vertrek als een betrokkene het UNRWA-werkgebied om redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil heeft moeten verlaten, slaagt niet. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat ook moet worden beoordeeld of na het tijdstip van vertrek de bescherming of bijstand van de UNRWA geacht moet worden opgehouden te zijn, omdat de situatie in het UNRWA-werkgebied is verslechterd om redenen die liggen buiten de invloed en onafhankelijk zijn van de wil van de betrokkene, vergelijk het arrest NB en AB, punt 57, en het arrest SN en LN, punt 75. Het rekening houden met een verslechterde situatie heeft alleen betekenis als de betrokkene het UNRWA-werkgebied vrijwillig heeft verlaten. Bij een gedwongen vertrek valt de betrokkene onder de insluitingsgrond en maakt het niet meer uit of de situatie verder is verslechterd.
5.8. Het betoog van de minister dat uit het arrest SN en LN volgt dat zowel op het tijdstip van vertrek uit het UNRWA-werkgebied, op het tijdstip dat de minister een besluit neemt op de asielaanvraag en op het tijdstip dat de rechter beslist op het beroep tegen het afwijzende asielbesluit, de bescherming of bijstand van de UNRWA moet zijn opgehouden, slaagt niet. Uit de tekst van de punten 75 en 87 van het arrest SN en LN blijkt niet dat het om cumulatieve vereisten gaat en dat blijkt evenmin uit de Franse, Engelse en Duitse taalversie van die punten. Dat rekening moet worden gehouden met de vraag of de situatie is verslechterd na vertrek uit het UNRWA-werkgebied, impliceert ook dat het geen cumulatieve vereisten kunnen zijn.
5.9. De Afdeling leidt uit het voorgaande af dat een staatloze van Palestijnse afkomst ook onder de insluitingsgrond van artikel 1(D) kan vallen als hij weliswaar vrijwillig is vertrokken uit een UNRWA-werkgebied, maar uit een actuele beoordeling van het verzoek om internationale bescherming volgt dat de bescherming en bijstand van de UNRWA in het betreffende UNRWA-werkgebied op dat tijdstip is opgehouden wegens andere omstandigheden.
5.10. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat aan het besluit van 9 maart 2023 een motiveringsgebrek en een zorgvuldigheidsgebrek kleeft. In dat kader heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister niet mocht volstaan met het standpunt dat betrokkene onder de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) valt, omdat zij het werkgebied van de UNRWA vrijwillig heeft verlaten, omdat de minister ook had moeten beoordelen of - mede gelet op de door betrokkene overgelegde landeninformatie - de insluitingsgrond van artikel 1(D) op haar van toepassing is.
5.11. De eerste grief faalt.
6. Wat de minister in de tweede grief heeft aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden. De Afdeling overweegt dat deze grief alleen al faalt, omdat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister niet op de juiste wijze heeft beoordeeld of betrokkene onder de insluitingsgrond van artikel 1(D) valt.
Conclusie
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Dit betekent dat de minister opnieuw op de aanvraag van betrokkene moet beslissen. De minister moet bij het nieuwe besluit alle relevante elementen betrekken, inclusief de algemene situatie in het UNRWA-werkgebied en de eventuele kwetsbaarheden van betrokkene. Daarnaast moet de minister, conform het arrest SN en LN, beoordelen of de UNRWA in het specifieke geval van betrokkene voldoende bescherming en hulp kan bieden. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.230,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025
307-1047
BIJLAGE
Vluchtelingenverdrag
Artikel 1
[…]
D. Dit Verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen.
Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.
[…]
Kwalificatierichtlijn
Artikel 12
1. Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer:
a) hij onder artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR. Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;
[…]
Arrest van het Hof van Justitie van 3 maart 2022, NB en AB, ECLI:EU:C:2022:151
50. Zo is artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2004/83 van toepassing wanneer op basis van een individuele beoordeling van alle relevante elementen blijkt dat de betrokken staatloze Palestijn in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid verkeert en de UNRWA, die door de betrokkene om bijstand is gevraagd, niet in staat is in dat gebied levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee deze organisatie is belast, waardoor deze staatloze wegens omstandigheden buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil gedwongen is het werkgebied van de UNRWA te verlaten. In dat geval kan deze staatloze, tenzij hij valt onder een van de in artikel 12, lid 1, onder b), artikel 12, lid 2, en artikel 12, lid 3, van die richtlijn genoemde uitsluitingsgronden, zich op grond van dit feit op deze richtlijn beroepen zonder noodzakelijkerwijs te hoeven aantonen dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van artikel 2, onder d), van deze richtlijn [arrest van 13 januari 2021, Bundesrepublik Deutschland (Vluchtelingenstatus van een staatloze Palestijn), C-507/19, EU:C:2021:3, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
[…]
53. In die omstandigheden moet een dergelijke beoordeling worden gebaseerd op een individuele beoordeling van alle relevante elementen of factoren van de betrokken situatie zoals die zich voordeed op het tijdstip waarop de betrokken asielzoekers het werkgebied van de UNRWA hebben verlaten, waarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden op het tijdstip waarop de bevoegde administratieve autoriteiten beslissen op het verzoek van de betrokkene om toekenning van de vluchtelingenstatus, of de betrokken rechterlijke instanties beslissen op het beroep tegen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus. Met name dient rekening te worden gehouden met de situatie waarin de betrokkene kan terugkeren naar het werkgebied van de UNRWA omdat de omstandigheden op grond waarvan hij als vluchteling is erkend, hebben opgehouden te bestaan [zie in die zin arresten van 19 december 2012, Abed El Karem El Kott e.a., C-364/11, EU:C:2012:826, punt 77, en 13 januari 2021, Bundesrepublik Deutschland (Vluchtelingenstatus van een staatloze Palestijn), C-507/19, EU:C:2021:3, punten 59 en 66].
[…]
55. In dit verband moet er bovendien op worden gewezen dat, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, de lidstaten krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 verplicht zijn om hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van de in deze bepaling bedoelde beroepen een „volledig en ex nunc" onderzoek omvat, op zijn minst in de beroepsprocedures bij een rechter in eerste aanleg, van alle feitelijke en juridische gegevens aan de hand waarvan hij een geactualiseerde beoordeling van het specifieke geval kan maken. Het Hof heeft reeds aangegeven dat de uitdrukking „ex nunc" en het bijvoeglijk naamwoord „volledig", die in die bepaling worden gebruikt, de verplichting van de rechter benadrukken om een beoordeling te maken die in voorkomend geval rekening houdt met zowel de gegevens waarmee de beslissingsautoriteit rekening heeft gehouden of had moeten houden, als de nieuwe gegevens die aan het licht zijn gekomen nadat de aangevochten beslissing was vastgesteld. De bevoegdheid die de rechter daarmee krijgt om rekening te houden met nieuwe gegevens waarover deze autoriteit geen uitspraak heeft gedaan, beantwoordt aan de doelstelling van richtlijn 2013/32, welke richtlijn er in het bijzonder naar streeft dat „zo spoedig mogelijk een beslissing wordt genomen inzake verzoeken om internationale bescherming, onverminderd het uitvoeren van een behoorlijke en volledige behandeling", zoals met name blijkt uit overweging 18 ervan [arrest van 13 januari 2021, Bundesrepublik Deutschland (Vluchtelingenstatus van een staatloze Palestijn), C-507/19, EU:C:2021:3, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
[…]
57. Het staat derhalve aan de bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties om op individuele basis alle relevante elementen te beoordelen, niet alleen om na te gaan of het vertrek uit het UNRWA-werkgebied van aanvragers van de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2004/83, overeenkomstig de in punt 50 van dit arrest genoemde rechtspraak kan worden gerechtvaardigd door redenen buiten hun invloed en onafhankelijk van hun wil (en die hen dus beletten bescherming of bijstand van de UNRWA te genieten), maar ook of hun thans dergelijke bescherming of bijstand wordt onthouden wegens de gestelde verslechtering van de situatie in het betrokken werkgebied om redenen buiten hun invloed en onafhankelijk van hun wil.
58. Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2004/83 aldus moet worden uitgelegd dat voor de vaststelling of de bescherming of bijstand van de UNRWA is opgehouden, zodat een persoon op grond van dat feit aanspraak kan maken op de „vluchtelingenstatus" in de zin van deze bepaling, bij de individuele beoordeling niet alleen rekening dient te worden gehouden met de relevante omstandigheden die gelden op het tijdstip waarop deze persoon het werkgebied van de UNRWA heeft verlaten, maar ook met de omstandigheden die gelden op het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus in behandeling nemen of de bevoegde rechterlijke instanties een beslissing nemen over een beroep tegen een weigering van die status.
[…]
65. Zo kan in casu uit artikel 4, lid 1, van richtlijn 2004/83 inderdaad worden afgeleid dat het aan de verzoekers staat om het bewijs te leveren dat zij daadwerkelijk de bescherming of bijstand van de UNRWA hebben ingeroepen en dat deze bescherming of bijstand is opgehouden. Wanneer de verzoekers echter kunnen bewijzen dat zij op het tijdstip dat zij het werkgebied van de UNRWA hebben verlaten, daadwerkelijk daartoe waren gedwongen om redenen buiten hun invloed en onafhankelijk van hun wil — met name omdat zij in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid verkeerden en de UNRWA hun geen levensomstandigheden kon bieden die stroken met zijn opdracht in dat gebied — staat het vervolgens evenwel aan de lidstaat om in voorkomend geval aan te tonen dat de omstandigheden in het betrokken werkgebied intussen zijn veranderd, zodat deze personen opnieuw bescherming of bijstand van de UNRWA kunnen genieten.
66. Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2004/83 aldus moet worden uitgelegd dat in het kader van de beoordeling of de bescherming of bijstand van de UNRWA is opgehouden zodat een persoon op grond van dat feit aanspraak kan maken op de „vluchtelingenstatus" in de zin van deze bepaling, wanneer de betrokkene aantoont dat hij het werkgebied van de UNRWA heeft moeten verlaten om redenen buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil, de lidstaat - indien hij aldus van oordeel is - moet bewijzen dat de betrokkene thans naar dat gebied kan terugkeren en deze bescherming of bijstand aldaar kan genieten.
Arrest van het Hof van Justitie van 13 juni 2024, SN en LN, ECLI:EU:C:2024:494
67. In dit verband heeft het Hof reeds vastgesteld dat het loutere feit dat de betrokkene het gebied verlaat waarin de UNRWA werkzaam is, ongeacht de reden voor dat vertrek, geen einde kan maken aan de in artikel 12, lid 1, onder a), eerste volzin, van deze richtlijn bedoelde uitsluiting van de vluchtelingenstatus, en de loutere omstandigheid dat een persoon zich buiten dat gebied bevindt of vrijwillig besluit om het te verlaten, dus niet kan worden aangemerkt als het ophouden van de bescherming of bijstand van de UNRWA in de zin van artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin van die richtlijn [arrest van 5 oktober 2023, OFPRA (Vluchtelingenstatus van een Palestijnse staatloze), C-294/22, EU:C:2023:733, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
[…]
71. Artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2011/95 is bijgevolg van toepassing wanneer op basis van een individuele beoordeling van alle relevante elementen blijkt dat de betrokken Palestijnse staatloze zich in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid bevindt en de UNRWA, die door de betrokkene om bijstand is gevraagd, om welke reden dan ook niet in staat is om hem levensomstandigheden te bieden die stroken met de opdracht waarmee deze organisatie is belast, waardoor deze staatloze wegens omstandigheden buiten zijn invloed en onafhankelijk van zijn wil gedwongen is het werkgebied van de UNRWA te verlaten [arresten van 25 juli 2018, Alheto, C-585/16, EU:C:2018:584, punt 86; 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), C-349/20, EU:C:2022:151, punt 50, en 5 oktober 2023, OFPRA (Vluchtelingenstatus van een Palestijnse staatloze), C-294/22, EU:C:2023:733, punten 38 en 44].
[…]
75. In de tweede plaats staat het, zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie benadrukt, aan de bevoegde nationale autoriteiten en rechterlijke instanties om niet alleen na te gaan of het vertrek uit het UNRWA-werkgebied van aanvragers van de vluchtelingenstatus overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2011/95 kan worden gerechtvaardigd door redenen buiten hun invloed en onafhankelijk van hun wil, die hun dus hebben belet de bescherming of bijstand van de UNRWA te genieten, maar ook of hun op het tijdstip waarop de bevoegde administratieve autoriteiten een verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus behandelen of op het tijdstip waarop de bevoegde rechterlijke instantie uitspraak doet op het beroep tegen een beslissing tot weigering van die status, die bescherming of bijstand wordt ontzegd wegens de verslechtering van de situatie in het betrokken werkgebied om redenen buiten hun invloed en onafhankelijk van hun wil [zie in die zin arrest van 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), C-349/20, EU:C:2022:151, punten 57 en 58].
76. Ten eerste moet de vraag of de bescherming of bijstand van de UNRWA ten aanzien van de Palestijnse staatloze is opgehouden, namelijk door de bevoegde administratieve autoriteit worden beoordeeld op basis van een individuele beoordeling van alle relevante elementen, overeenkomstig artikel 4 van richtlijn 2011/95. Uit artikel 4, lid 3, onder a), van richtlijn 2004/83 volgt evenwel dat bij de beslissing over een verzoek om internationale bescherming rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten in verband met het land van herkomst „op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen". Ten tweede zijn de lidstaten krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 verplicht hun nationale recht zodanig in te richten dat de behandeling van de in deze bepaling bedoelde beroepen een „volledig en ex nunc" onderzoek omvat, hetgeen veronderstelt dat de bevoegde rechter met name rekening houdt met alle gegevens die een geactualiseerde beoordeling van het concrete geval mogelijk maken [zie in die zin arrest van 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst), C-349/20, EU:C:2022:151, punten 54, 55 en 61].
[…]
78. Uit het voorgaande volgt dat een staatloze van Palestijnse afkomst die om bijstand van de UNRWA heeft verzocht, onder artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2011/95 valt wanneer op basis van een individuele en geactualiseerde beoordeling van alle relevante elementen blijkt dat de betrokken staatloze, indien hij terugkeert naar de sector van het werkgebied van de UNRWA waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, in een persoonlijke situatie van ernstige onveiligheid zou verkeren, in voorkomend geval rekening houdend met zijn kwetsbaarheid, en het voor de UNRWA om welke reden dan ook, inclusief wegens de algemene situatie in die sector, niet mogelijk is die staatloze waardige levensomstandigheden en een minimum aan veiligheid te waarborgen, in voorkomend geval gelet op de specifieke behoeften in verband met zijn kwetsbaarheid.
[…]
87. Gelet op een en ander dient op de tweede en de derde vraag te worden geantwoord dat artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat de bescherming of bijstand van de UNRWA die een aanvrager van internationale bescherming, een staatloze van Palestijnse afkomst, geniet, moet worden geacht te zijn opgehouden in de zin van die bepaling wanneer, ten eerste, die organisatie om welke reden dan ook, inclusief wegens de algemene situatie in de sector van het werkgebied van die organisatie waar deze staatloze vroeger gewoonlijk verbleef, niet in staat is aan die staatloze waardige levensomstandigheden te bieden die stroken met de taak van die organisatie, in voorkomend geval rekening houdend met zijn kwetsbaarheid, zonder dat die staatloze hoeft aan te tonen dat die algemene situatie specifiek op hem van toepassing is als gevolg van factoren die verband houden met zijn persoonlijke situatie, en, ten tweede, de betrokken staatloze bij terugkeer naar die sector in een situatie van ernstige onveiligheid zou verkeren, in voorkomend geval rekening houdend met zijn kwetsbaarheid, waarbij de bestuurlijke en rechterlijke autoriteiten elk verzoek om internationale bescherming op basis van die bepaling individueel moeten beoordelen. De leeftijd van de betrokkene kan bij die beoordeling relevant zijn. De bijstand of bescherming van de UNRWA moet met name worden geacht te zijn opgehouden ten aanzien van de verzoeker wanneer die organisatie, om welke reden dan ook, aan geen enkele staatloze van Palestijnse afkomst die verblijft in de sector van het werkgebied van die organisatie waar die verzoeker vroeger gewoonlijk verbleef, menswaardige levensomstandigheden of minimale veiligheidseisen kan waarborgen. De vraag of de bescherming of bijstand van de UNRWA moet worden geacht te zijn opgehouden, moet worden beoordeeld op het tijdstip waarop die staatloze de sector van het werkgebied van de UNRWA waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, heeft verlaten, het tijdstip waarop de bevoegde bestuurlijke autoriteiten uitspraak doen over zijn verzoek om internationale bescherming of het tijdstip waarop de bevoegde rechterlijke instantie uitspraak doet op enig beroep tegen een beslissing waarbij dat verzoek werd verworpen.