202402013/1/V3.
Datum uitspraak: 21 mei 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 maart 2024 in zaak nr. NL23.29253 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat op 4 september 2023 het recht op bescherming eindigt dat appellant geniet op grond van Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn Tijdelijke Bescherming) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022. De staatssecretaris heeft dit besluit op 31 januari 2024 ingetrokken.
Bij besluit van 4 maart 2024 heeft de staatssecretaris appellant opgedragen de Europese Unie na die dag binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 28 maart 2024 heeft de rechtbank het door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, voor zover gericht tegen het besluit van 1 september 2023, en ongegrond verklaard, voor zover dat beroep mede betrekking had op het besluit van 4 maart 2024. De rechtbank heeft het door appellant tegen het besluit van 4 maart 2024 ook nog afzonderlijk ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.J.L. van de Glind, advocaat in Heerlen, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling een schriftelijke zienswijze gegeven op het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024, Kaduna e.a., ECLI:EU:C:2024:1038.
De minister heeft een nader stuk ingediend. Appellant heeft daarop gereageerd.
Overwegingen
1. De minister heeft de Afdeling bij brief van 4 februari 2025 laten weten dat appellant met hulp van de IOM is vertrokken naar Nigeria, zijn land van herkomst. In de door appellant ondertekende vertrekverklaring is expliciet vermeld dat hij ermee instemt dat nog openstaande procedures voor het verkrijgen van een verblijfstitel worden beëindigd. Gelet daarop heeft appellant geen belang meer bij een beoordeling van zijn hoger beroep, omdat dit alleen gaat over het moment waarop de minister voor derdelanders uit Oekraïne de facultatieve tijdelijke bescherming mocht beëindigen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2025
985