ECLI:NL:RVS:2025:2595

ECLI:NL:RVS:2025:2595, Raad van State, 10-06-2025, 202500056/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 10-06-2025
Datum publicatie 18-06-2025
Zaaknummer 202500056/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:22406
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 25 zaken
Aangehaald door 3 zaken
10 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 BWBR0011825 CELEX:32000X1218 CELEX:32003R0343 CELEX:32013R0604 EU:32000X1218 EU:32003R0343 EU:32013R0604

Samenvatting

Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 27 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Berends, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Uitspraak

202500056/1/V3.

Datum uitspraak: 10 juni 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 december 2024 in zaak nr. NL24.42377 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 27 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Berends, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1. Betrokkene heeft de Syrische nationaliteit. De minister heeft zijn asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat volgens haar op grond van de Dublinverordening Polen verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Belang bij het hoger beroep

2. De minister heeft in haar hogerberoepschrift van 3 januari 2025 laten weten dat de overdrachtstermijn op 10 januari 2025 zal verstrijken. Partijen hebben de Afdeling niet bericht dat de overdrachtstermijn in de tussentijd is verlengd. Daarom gaat de Afdeling ervan uit dat de overdrachtstermijn inmiddels is verstreken en dat de minister de asielaanvraag van betrokkene alsnog in behandeling zal moeten nemen. Dit betekent dat de minister, zelfs als zij gelijk krijgt, met haar hoger beroep niet meer kan bereiken dat zij betrokkene mag overdragen aan Polen. De minister heeft in haar hogerberoepschrift betoogd dat van de uitspraak van de rechtbank ongewenste precedentwerking uitgaat, omdat de rechtbank is afgeweken van recente rechtspraak van de Afdeling. De Afdeling volgt de minister hierin en is daarom van oordeel dat zij nog steeds belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 13 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:896, onder 3.

Beoordeling van de eerste grief

3. De eerste grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet mocht volstaan met een standaardvoornemen waarin zij niet inhoudelijk is ingegaan op de specifieke omstandigheden van betrokkene. Deze rechtsvraag is door de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642, onder 4.3 tot en met 4.8. In die uitspraak heeft de Afdeling uitgelegd waarom de besluitvorming niet zonder meer onzorgvuldig is als de minister in het voornemen in de Dublinprocedure niet expliciet ingaat op de individuele omstandigheden van een vreemdeling. Dit betekent dat de eerste grief slaagt.

Beoordeling van de tweede grief

4. De tweede grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zij geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van betrokkene op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht aan zich te trekken.

4.1. De minister betoogt terecht dat het oordeel van de rechtbank niet in lijn is met vaste rechtspraak van de Afdeling. De Afdeling wijst bijvoorbeeld op haar uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7 tot en met 7.5, over artikel 17 van de Dublinverordening en persoonlijke ervaringen in een andere lidstaat.

4.2. De minister betoogt verder terecht dat zij de verklaringen waar betrokkene zich op heeft beroepen over zijn eerdere ervaringen in Polen al heeft betrokken bij de beoordeling of zij voor Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Zo heeft zij bij haar beoordeling betrokken dat betrokkene heeft verklaard dat hij twee keer is gepushbackt en dat hij is mishandeld door soldaten of de grenspolitie in een bos in Polen. Daarbij heeft de rechtbank volgens de minister terecht overwogen dat zij op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat Polen zijn internationale verplichtingen tegenover betrokkene zal nakomen. Uit voornoemde uitspraak van 25 februari 2025 volgt dat de minister hiermee in beginsel deugdelijk heeft gemotiveerd waarom zij haar discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 van de Dublinverordening niet gebruikt, omdat die beoordeling ook is toegespitst op de concrete omstandigheden van betrokkene. De minister heeft in haar besluit ook gemotiveerd waarom volgens haar geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Dat zij daarbij ook heeft verwezen naar haar standpunt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maakt niet dat het besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd is. Het staat de minister vrij om haar besluiten op deze manier te motiveren. Zo is voor betrokkene immers kenbaar waarom de minister zijn aanvraag niet onverplicht in behandeling neemt en is het voor de bestuursrechter mogelijk om deze motivering te toetsen.

4.3. De grief slaagt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 27 december 2024 in zaak nr. NL24.42377;

III. verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.C.M. van Trappen, griffier.

w.g. Wissels

voorzitter

w.g. Van Trappen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2025

985

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. C.M. Wissels
  • mr. C.J. Borman
  • mr. A.J.C. de Moor-van Vugt

Griffier

  • mr. D.C.M. van Trappen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?