ECLI:NL:RVS:2025:2662

ECLI:NL:RVS:2025:2662, Raad van State, 12-06-2025, 202406284/2/A3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 12-06-2025
Datum publicatie 18-06-2025
Zaaknummer 202406284/2/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBAMS:2024:5352
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005252 BWBR0005291 BWBR0005537 BWBR0045754

Samenvatting

Bij besluit van 13 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam drie documenten openbaar gemaakt over de wegversmalling van de [locatie]. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet heeft kunnen vaststellen dat het beroepschrift daadwerkelijk door de gemachtigde van [appellant A] en [appellant B], [gemachtigde], is ingediend. Het beroep is volgens de rechtbank ook niet-ontvankelijk, omdat [appellant A] en [appellant B] misbruik hebben gemaakt van hun recht zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Volgens de rechtbank hebben zij [gemachtigde] alleen als gemachtigde in de stukken genoemd om een proceskostenvergoeding voor professioneel verleende rechtsbijstand te kunnen claimen. Omdat sprake is van misbruik van recht, heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

Uitspraak

202406284/2/A3.

Datum uitspraak: 12 juni 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant A] (hierna: [appellant A]), gevestigd in Badhoevedorp, gemeente Haarlemmermeer, en [appellant B], wonend in Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 augustus 2024 in zaak nr. 23/3047 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juli 2021 heeft het college drie documenten openbaar gemaakt over de wegversmalling van de [locatie].

Bij besluit van 13 april 2023 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 augustus 2024 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet heeft kunnen vaststellen dat het beroepschrift daadwerkelijk door de gemachtigde van [appellant A] en [appellant B], [gemachtigde], is ingediend. Het beroep is volgens de rechtbank ook niet-ontvankelijk, omdat [appellant A] en [appellant B] misbruik hebben gemaakt van hun recht zich te laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Volgens de rechtbank hebben zij [gemachtigde] alleen als gemachtigde in de stukken genoemd om een proceskostenvergoeding voor professioneel verleende rechtsbijstand te kunnen claimen.

Omdat sprake is van misbruik van recht, heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen.

2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat zij door [gemachtigde] rechtsgeldig vertegenwoordigd zijn bij de rechtbank. [gemachtigde] verrichtte zijn werkzaamheden voor [bedrijf], een juridisch adviesbureau van de bestuurder van [appellant A]. [bedrijf] heeft met [gemachtigde] afgesproken dat hij alleen het schriftelijke gedeelte van de procedure zou doen, zodat hij niet naar de zitting van de rechtbank is gekomen. Van misbruik van recht is dus geen sprake, aldus [appellant A] en [appellant B].

3. De Afdeling heeft al eerder geoordeeld dat [appellant A] misbruik maakt van het recht om hoger beroep in te stellen (zie de uitspraak van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4722) en het recht om een verzoek in te dienen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (zie de uitspraak van 22 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2135, en de uitspraken van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4723 en ECLI:NL:RVS:2023:4724). In die uitspraken wijst de Afdeling op een patroon van het handelen van [appellant A] dat erop gericht is om geld te verdienen aan procedures zonder dat het haar te doen is om de inhoud van de besluitvorming.

De Afdeling heeft ook nog recentelijk in de uitspraak van 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:542) geoordeeld dat [appellant A] en [appellant B] in de daar voorliggende zaken (hoger) beroep hebben ingesteld met kennelijk als doel om geld te verdienen aan de procedures. Daarmee hebben zij misbruik gemaakt van het recht om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen.

4. De Afdeling onderschrijft in deze zaak het oordeel van de rechtbank dat [appellant A] en [appellant B] kennelijk als doel hebben om geld te verdienen aan de procedure. Voor een nadere motivering wordt verwezen naar de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling. De rechtbank mocht het beroep al om die reden niet-ontvankelijk verklaren wegens misbruik van recht.

De vragen of het beroepschrift rechtsgeldig is ingediend en of [appellant A] en [appellant B] misbruik hebben gemaakt van hun recht zich te laten vertegenwoordigen, behoeven daarom geen beantwoording. De Afdeling wijst er in dit verband wel op dat zij in de uitspraak van 12 februari 2025 gelijksoortige vragen heeft gesteld over [gemachtigde] als de rechtbank in deze zaak. De Afdeling is in die uitspraak tot het oordeel gekomen dat zodanig ernstige vraagtekens bij de werkzaamheden van [gemachtigde] kunnen worden geplaatst dat hij niet als beroepsmatig rechtsbijstandverlener kan worden aangemerkt. Daarbij heeft de Afdeling de gestelde afspraak tussen [bedrijf] en [gemachtigde] betrokken. Dat betekent dat [appellant A] en [appellant B] voor de werkzaamheden van [gemachtigde] hoe dan geen proceskostenvergoeding zouden ontvangen.

5. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Daalder

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vries-Biharie

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2025

611

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.G. de Vries-Biharie

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?