ECLI:NL:RVS:2025:2936

ECLI:NL:RVS:2025:2936, Raad van State, 03-07-2025, 202302321/1/V3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-07-2025
Datum publicatie 09-07-2025
Zaaknummer 202302321/1/V3
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2023:3907
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 9 zaken
Aangehaald door 3 zaken
13 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537 BWBR0006358 BWBR0011823 CELEX:32003R0343 CELEX:32008L0115 CELEX:32011L0095 CELEX:32013L0032 CELEX:32013R0604 EU:32003R0343 EU:32008L0115 EU:32011L0095 EU:32013L0032 EU:32013R0604

Samenvatting

Bij besluit van 15 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak

202302321/1/V3.

Datum uitspraak: 3 juli 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 maart 2023 in zaak nr. NL22.7087 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 23 maart 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1. Partijen zijn het erover eens dat appellant door Griekenland is erkend als vluchteling en dat hij de vluchtelingenstatus heeft verkregen.

1.1. In de uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2865 heeft de Afdeling onder 7-7.3 aan de hand van het arrest van 18 juni 2024, QY, ECLI:EU:C:2024:524, uiteengezet hoe de minister moet omgaan met asielaanvragen van personen die door Griekenland zijn erkend als vluchteling, maar die niet naar Griekenland kunnen terugkeren. Uit die uitspraak volgt dat de minister niet gebonden is aan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus. Dit neemt evenwel niet weg dat de minister contact met de Griekse autoriteiten moet opnemen voordat zij een besluit neemt op de asielaanvraag van appellant. Bij dit contact moet de minister bij de Griekse autoriteiten navragen op grond waarvan zij aan appellant de vluchtelingenstatus hebben toegekend. Met deze informatie moet de minister ten volle rekening houden. Ook moet de minister de Griekse autoriteiten meedelen wat de uitkomst is van haar beoordeling of appellant vluchteling is als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Het is vervolgens aan de Griekse autoriteiten om te bepalen of zij de aan appellant toegekende vluchtelingenstatus intrekken op grond van artikel 14 van de Kwalificatierichtlijn. Zolang onduidelijk is of de Griekse autoriteiten dit zullen doen, wordt niet toegekomen aan de vraag of de minister een terugkeerbesluit kan uitvaardigen. Vergelijk de uitspraak van dezelfde datum, ECLI:NL:RVS:2025:2866, onder 3.1.

2. Gelet op de onder 1.1. genoemde uitspraken van de Afdeling falen de grieven 1 tot en met 5. Ook grief 7 faalt. De minister hoeft de door de Griekse autoriteiten aan appellant verleende vluchtelingenstatus niet over te nemen en de vraag of de minister een terugkeerbesluit kan uitvaardigen, kan niet worden beantwoord zolang onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan appellant verleende vluchtelingenstatus intrekken. De minister heeft echter nog geen contact opgenomen met de Griekse autoriteiten om informatie uit te wisselen over die status en over haar eigen beoordeling of appellant kan worden aangemerkt als een vluchteling, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Dit zal zij dus alsnog moeten doen. Dat betekent dat grief 6 wel slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond en het besluit van 15 april 2022 wordt vernietigd. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 maart 2023 in zaak nr. NL22.7087;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 15 april 2022,[V-…];

V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.721,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.

w.g. Den Heyer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Vos

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2025

644

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. W.M. Vos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?