ECLI:NL:RVS:2025:485

ECLI:NL:RVS:2025:485, Raad van State, 12-02-2025, BRS.24.000178

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 12-02-2025
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer BRS.24.000178
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:RBDHA:2024:7041
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 1 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Uitspraak

BRS.24.000178

ECLI:NL:RVS:2025:485

Datum uitspraak: 12 februari 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 mei 2024 in zaak nr. NL24.17823 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 8 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 8 mei 2024 bevolen en schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. N.C. Blomjous, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 55, tweede lid, van de Vw 2000 niet volstaat als grondslag voor het zonder toestemming onderzoeken van mobiele telefoons. Maar de minister komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat het onderzoek aan de mobiele telefoon van de vreemdeling leidt tot de onrechtmatigheid van de grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:132, onder 4 tot en met 4.7.1.

1.1. De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist. Ook toetst zij de rechtmatigheid van de grensdetentie ambtshalve.

3. De vreemdeling voert terecht aan dat er een gebrek aan de maatregel kleeft, omdat de minister niet heeft voldaan aan de informatieplicht uit artikel 5.3, eerste lid, derde zin, gelezen samen met het tweede lid, van het Vb 2000. Hij wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, onder 7 en 7.1. Uit wat in die uitspraak onder 9 is overwogen, volgt echter dat een belangenafweging moet worden gemaakt. Het gebrek leidt in dit geval niet tot de onrechtmatigheid van de grensdetentie. De vreemdeling is weliswaar niet schriftelijk op de hoogte gesteld van de redenen van de grensdetentie in een taal die hij begrijpt, maar hem is wel in het Engels de strekking en inhoud van de vrijheidsontnemende maatregel medegedeeld. Ook is hij erop gewezen dat hij daartegen beroep kon instellen. De vreemdeling heeft verklaard dat hij dit begreep. Verder is de inhoud van de informatiebrief ‘Waarom aan u een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd’ met behulp van een tolk Engels met hem besproken. Ook heeft de gemachtigde van de vreemdeling namens hem beroep ingesteld tegen de maatregelen. Gelet hierop is de vreemdeling in staat gesteld effectief rechtsmiddelen tegen de grensdetentie in te stellen en is niet gebleken dat hij in zijn belangen is geschaad, ondanks dat de minister niet heeft voldaan aan de informatieplicht.

3.1. De beroepsgrond slaagt niet.

4. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 8 mei 2024 in zaak nr. NL24.17823;

III. verklaart het beroep ongegrond;

IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. de Moor-van Vugt

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025

1020-846

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?