ECLI:NL:RVS:2025:5539

ECLI:NL:RVS:2025:5539, Raad van State, 19-11-2025, 202405622/1/R3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 19-11-2025
Datum publicatie 19-11-2025
Zaaknummer 202405622/1/R3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 12 juni 2018 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [appellant] voor onder meer het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een deel van de woning op het perceel [locatie 1] in Schiermonnikoog voor recreatieve doeleinden. [appellant] is eigenaar van de woning [locatie 1] in Schiermonnikoog. [partij] is eigenaar van het naastgelegen perceel met woning aan [locatie 2]. Aan [appellant] is een omgevingsvergunning verleend om zijn woning uit te breiden. Zoals de Afdeling in de in het procesverloop genoemde uitspraak van 15 november 2023 onder 1 heeft overwogen, is de omgevingsvergunning voor de bouw van de uitbreiding van de woning onherroepelijk. [appellant] wenst de uitbreiding te gebruiken voor recreatieve doeleinden. Dat gebruik was in strijd met het ten tijde van de vergunningverlening en het besluit op bezwaar in 2018 geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009.

Uitspraak

202405622/1/R3.

Datum uitspraak: 19 november 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in Schiermonnikoog,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2018 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [appellant] voor onder meer het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een deel van de woning op het perceel [locatie 1] in Schiermonnikoog voor recreatieve doeleinden.

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het college het door onder meer [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 december 2021 heeft de rechtbank Noord-Nederland het door onder meer [partij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4264 heeft de Afdeling het daartegen door onder meer [partij] ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de aangevallen uitspraak vernietigd, voor zover de rechtbank in die uitspraak het beroep van [partij] ongegrond had verklaard, het bij de rechtbank door [partij] ingestelde beroep alsnog gegrond verklaard en het besluit van het college van 16 oktober 2018 vernietigd, voor zover in dat besluit het bezwaar van [partij] ongegrond is verklaard. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat tegen het door het college nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 23 juli 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen op het bezwaar van [partij], dit bezwaar alsnog gegrond verklaard, de op 12 juni 2018 verleende omgevingsvergunning herroepen en de door [appellant] aangevraagde omgevingsvergunning voor onder meer het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een deel van de woning op het perceel [locatie 1] in Schiermonnikoog voor recreatieve doeleinden alsnog geweigerd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak 202405622/1/R3 samen met de zaken nrs. 202201923/1/R3 en 202405379/1/A2 op zitting behandeld op 22 september 2025, waar wat betreft de in deze uitspraak aan de orde zijnde zaak 202405622/1/R3 zijn verschenen:

- [appellant], bijgestaan door mr. D. Quakernaat,

- het college, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat in Leeuwarden, en H. de Muinck.

Daarnaast is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door mr. E. Erkamp, als partij gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 24 maart 2017. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2. [appellant] is eigenaar van de woning [locatie 1] in Schiermonnikoog. [partij] is eigenaar van het naastgelegen perceel met woning aan [locatie 2].

Aan [appellant] is een omgevingsvergunning verleend om zijn woning uit te breiden. Zoals de Afdeling in de in het procesverloop genoemde uitspraak van 15 november 2023 (hierna: de uitspraak van de Afdeling) onder 1 heeft overwogen, is de omgevingsvergunning voor de bouw van de uitbreiding van de woning onherroepelijk.

[appellant] wenst de uitbreiding te gebruiken voor recreatieve doeleinden. Dat gebruik was in strijd met het ten tijde van de vergunningverlening en het besluit op bezwaar in 2018 geldende bestemmingsplan "Schiermonnikoog - Dorp" uit 2009. Het college heeft zich ten tijde van de vergunningverlening en het besluit op bezwaar in 2018 op het standpunt gesteld dat een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het gebruik voor recreatieve doeleinden in strijd met het bestemmingsplan. Volgens het college zou dit gebruik niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. De rechtbank heeft dit standpunt van het college gevolgd en geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat een situatie zal ontstaan die zodanig in strijd is met een goede ruimtelijke ordening dat het college de omgevingsvergunning in redelijkheid niet had kunnen verlenen.

In de uitspraak van de Afdeling is onder 6.3.1 echter geoordeeld dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het college naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat een situatie zal ontstaan die in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling heeft het volgende overwogen:

"Op de zitting is besproken welke overlast [partij] zal kunnen ondervinden van het bouwplan op het perceel. De in dat kader op de zitting door [appellant] ingenomen stelling dat het deel van de woning op het perceel dat voorziet in recreatief gebruik zal worden gebruikt door een bepaald type rustige mensen, waardoor weinig overlast zal ontstaan voor de omgeving, is planologisch niet geborgd in de besluitvorming of anderszins. Alleen al daarom kan deze stelling niet worden betrokken in de beoordeling van de Afdeling.

Op de zitting is, aan de hand van de vormgeving en inrichting van de woning, met partijen vastgesteld dat in de uitbreiding van de woning op het perceel een groep van maximaal 8 personen kan verblijven voor recreatieve doeleinden. Dit omvat volgens [appellant] ook het gebruik van de op het perceel aanwezige tuin. De Afdeling stelt verder vast dat het perceel ligt ingeklemd tussen percelen waarop woonhuizen staan. Het perceel met de woning van [partij] grenst direct aan het perceel waarop het bouwplan ziet. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van het beoogde recreatief gebruik, waaronder de redelijkerwijs te verwachten geluidbelasting, de omvang van het recreatief gebruik en de locatie en situering waarop met het bouwplan het recreatief gebruik op het perceel is voorzien, heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de gevraagde omgevingsvergunning in dit geval kon worden verleend. Dat het college op de zitting heeft toegelicht dat binnen de gemeente een beleidslijn zou bestaan dat 35% van een woning verhuurd zou mogen worden voor recreatieve doeleinden maakt dat niet anders, alleen al niet omdat het college heeft toegelicht dat in het bouwplan waarvoor de omgevingsvergunning is verleend mogelijk een grotere oppervlakte zal worden gebruikt voor recreatieve doeleinden.

Over de vergelijking van [partij] met de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" oordeelt de Afdeling dat in dit geval geen sprake is van een pension zodat die verwijzing niet slaagt.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het van mening is dat de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. Daardoor heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderbouwd dat de uitkomst van de gemaakte belangenafweging zich verdraagt met een goede ruimtelijke ordening. Het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning is in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het betoog slaagt."

3. Naar aanleiding van deze uitspraak van de Afdeling heeft het college een nieuw besluit genomen op het bezwaar van [partij], dit bezwaar alsnog gegrond verklaard, de op 12 juni 2018 verleende omgevingsvergunning herroepen en de door [appellant] aangevraagde omgevingsvergunning voor onder meer het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een deel van de woning op het perceel [locatie 1] voor recreatieve doeleinden alsnog geweigerd, omdat het recreatieve gebruik naar het oordeel van het college bij nader inzien leidt tot strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Beoordeling van het beroep van [appellant]

4. [appellant] betoogt in beroep dat het college met het oordeel dat het recreatieve gebruik in strijd is met een goede ruimtelijke ordening een volledige ommezwaai heeft gemaakt die niet valt te rijmen met het jarenlang door het college ingenomen standpunt dat het recreatieve gebruik van een deel van zijn woning wél ruimtelijk aanvaardbaar is. Door nu plotseling een volledig ander standpunt in te nemen, wordt in strijd gehandeld met het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel en geldt ook een verzwaarde motiveringsplicht, aldus [appellant]. Aan deze verzwaarde motiveringsplicht heeft het college volgens hem niet voldaan. Over de door het college gegeven onderbouwing waarom zich bij nader inzien toch wel strijd voordoet met een goede ruimtelijke ordening, voert [appellant] onder meer het volgende aan.

Het college stelt volgens [appellant] dat zijn woning is gelegen in een rustige woonwijk. Dit is volgens hem evident onjuist en past niet bij het eerder ingenomen standpunt van het college dat sprake is van een gemengd gebied voor wonen en recreatief verblijf. In de uitspraak van de Afdeling is volgens [appellant] bevestigd dat sprake is van een gemengd gebied.

Ook is het standpunt van het college dat het recreatieve gebruik tot overlast zal leiden volgens [appellant] niet onderbouwd. De door het college gestelde overlast van geparkeerde fietsen, aanloop gedurende de dag, avond en nacht, als ook overlast van rolkoffers en ander rumoer, zijn volgens [appellant] alledaagse handelingen op een recreatief eiland als Schiermonnikoog. Hiervan wordt volgens hem nauwelijks overlast ondervonden. Daarbij wijst hij er ook op dat Schiermonnikoog een autoluw eiland is, zijn woning is gelegen in gemengd gebied en meerdere woningen in de omgeving geheel of gedeeltelijk recreatief worden verhuurd. Door ten aanzien van zijn woning en het recreatieve gebruik in de tuin van zijn woning nu ineens een ander standpunt in te nemen over de vermeende overlast van dit recreatieve gebruik, wordt in strijd gehandeld met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel, zo betoogt [appellant]. Hij wijst er in dit verband ook op dat hij zelf een deel van de woning bewoont en toezicht kan houden om zo eventuele overlast te voorkomen. Daarnaast komen de gebruikers van het recreatieve deel van zijn woning voornamelijk naar Schiermonnikoog voor de rust en de natuur, aldus [appellant]. In geval van vrees voor overlast had het college bovendien ook nadere voorschriften aan de vergunning kunnen verbinden, zo betoogt [appellant]. Ook wijst hij erop dat hij zekerheidshalve alsnog een akoestisch onderzoek heeft laten verrichten naar de geluidbelasting die het recreatieve gebruik van zijn woning veroorzaakt. Ook uit dit onderzoek blijkt volgens [appellant] dat een goed woon- en leefklimaat bij de omliggende woningen is gewaarborgd.

Bij zijn nadere memorie heeft [appellant] onder meer verschillende interne ambtelijke mailwisselingen gevoegd die hij heeft verkregen in het kader van een verzoek op grond van de Wet open overheid (hierna: Woo-verzoek). Uit de verkregen stukken blijkt volgens [appellant] dat het college bewust geen nader onderzoek heeft verricht naar de effecten van het recreatieve gebruik op de omgeving, maar slechts heeft volstaan met het kiezen van de voor het college meest gemakkelijke en meest kansrijke weg, namelijk het alsnog weigeren van de aangevraagde omgevingsvergunning. Ook eventuele alternatieve opties waar in de interne mailwisseling over wordt gesproken, zoals het verhuren van een kleinere oppervlakte van zijn woning, zijn niet met hem besproken, aldus [appellant]. Daarbij plaatst [appellant] bovendien de kanttekening dat wat hem betreft onduidelijk is waarom het verhuren van een beperkter deel van zijn woning voor recreatief verblijf een wezenlijk verschil zou maken in de ruimtelijke gevolgen daarvan. Bij de nadere memorie heeft [appellant] ook een aanvullend akoestisch onderzoek gevoegd, waarin hij naar eigen zeggen alsnog de kritiekpunten heeft weerlegd op het in zijn opdracht uitgevoerde akoestisch onderzoek, welke kritiekpunten waren vermeld in de stukken die hij in het kader van het Woo-verzoek heeft verkregen.

4.1. De Afdeling stelt voorop dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat het college gehouden was een nieuw besluit op het bezwaar van [partij] te nemen. Op grond van artikel 7:11 van de Awb is het college gehouden tot een volledige heroverweging van dat besluit. Dit kan met zich brengen dat het college terug moet komen van een standpunt dat het bij het besluit tot vergunningverlening heeft ingenomen. In dit geval heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling alsnog het standpunt ingenomen dat het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning voor het recreatieve gebruik zal leiden tot strijd met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden heeft het college de aanvraag alsnog afgewezen. Het maken van een heroverweging die afwijkt van het standpunt dat eerder was ingenomen bij de vergunningverlening, is op zichzelf op voorhand niet in strijd met het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel.

4.2. In de heroverweging heeft het college toegelicht dat het evenals de raad van de gemeente Schiermonnikoog - anders dan ten tijde van het primaire besluit uit 2018 - een striktere koers is gaan hanteren ten aanzien van het toestaan van nieuwe recreatieve verblijfsmogelijkheden op het eiland. De reden hiervoor is volgens het college dat voorkomen moet worden dat de woonfunctie op het eiland wordt verdrongen door de recreatieve functie, onder meer om de sociale cohesie en het voorzieningenniveau op het eiland te behouden. De leefbaarheid op het eiland staat volgens het college namelijk onder druk. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag voor een nieuwe recreatieve verblijfsmogelijkheid, zoals in dit geval aangevraagd door [appellant], kijkt het college om die reden nadrukkelijker naar de vraag of de aangevraagde nieuwe recreatieve verblijfsmogelijkheid afbreuk doet aan het evenwicht tussen de woonfuncties en recreatieve functies op het eiland. De aanvraag van [appellant] doet volgens het college afbreuk aan dit evenwicht. De reden hiervoor is volgens het college dat [appellant] heeft aangevraagd om 188 m2 van zijn woning te mogen gebruiken voor recreatief verblijf. Een dergelijke omvang brengt volgens het college met zich dat het recreatieve gedeelte bij uitstek geschikt is voor grotere groepen van meer dan acht personen. Er is dan volgens het college geen sprake meer van een aan de woonfunctie ondergeschikte recreatieve functie, maar van een grootschalige recreatieve functie die naar aard, omvang en verschijningsvorm concurreert met de woonfuncties op het eiland. Daarbij wijst het college er ook op dat Martjeland, aan welke weg zich de woning van [appellant] bevindt, primair een woongebied is. Het is volgens het college weliswaar juist dat, zoals [appellant] stelt, er ook andere functies in het gebied voorkomen, waardoor het gebied in het kader van de zogenoemde VNG-brochure kan worden gekwalificeerd als een gemengd gebied, maar dat laat volgens het college onverlet dat de woonfunctie een belangrijke functie vormt in dit deel van Schiermonnikoog en dat aan deze woonfunctie afbreuk wordt gedaan bij het realiseren van een recreatieve verblijfsmogelijkheid in de omvang zoals [appellant] heeft aangevraagd. Zo maakt de combinatie van de wisselende grote groepen en het afwijkende dag- en nachtritme dat de impact op de omliggende woningen significant kan zijn, aldus het college.

4.3. Gelet op wat hiervoor onder 4.2 is vermeld, is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de aanvraag van [appellant] niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij wijst de Afdeling erop dat het college afwegingsruimte toekomt in de beoordeling van de aanvraag van [appellant]. Daarnaast acht de Afdeling van belang dat het college een striktere lijn is gaan hanteren ten aanzien van het toestaan van nieuwe recreatieve functies op het eiland om zo meer gewicht te kunnen toekennen aan het behoud van de woongebieden op het eiland. Tot slot speelt een doorslaggevende rol dat in dit geval een recreatieve verblijfsmogelijkheid is aangevraagd overeenkomend met een groepsaccommodatie, wat volgens het college niet passend kan worden geacht bij het overheersende woongebied waarvan op het Martjeland sprake is. Dat volgens [appellant] de geluidnormen niet zouden worden overschreden en dat het college zelf geen onderzoeken heeft verricht, maakt dit gezien het striktere beleid van het college niet anders. Om die reden gaat de vergelijking van [appellant] met andere bestaande recreatiewoningen ook niet op. Het beleid van het college ten aanzien van het toestaan van nieuwe recreatieve functies is immers inmiddels strenger geworden.

4.4. Het is aan [appellant] om - al dan niet na voorafgaand overleg met het college - te bezien welke oppervlakte aan recreatief verblijf mogelijk wel passend zou zijn bij de omliggende woonfuncties en het striktere beleid van het college dat is gericht op het behouden van een balans tussen de recreatieve functies en woonfuncties op het eiland. Het is ook aan [appellant] om hiervoor eventueel een nieuwe vergunning aan te vragen. Het college was niet gehouden hierover in het kader van de in deze procedure aan de orde zijnde vergunningaanvraag met [appellant] in overleg te treden, omdat de door het college beoogde substantiële vermindering van de aangevraagde oppervlakte aan recreatief verblijf leidt tot andere ruimtelijke gevolgen en niet meer kan worden gezien als een wijziging van ondergeschikte aard.

4.5. De betogen van [appellant] slagen niet.

Conclusie

5. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. A.B. Blomberg en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Hoekstra

voorzitter

w.g. Van Zuijlen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2025

810

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J. Hoekstra
  • mr. A.B. Blomberg
  • mr. M.J.M. Ristra-Peeters

Griffier

  • mr. F.C. van Zuijlen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?