BRS.25.001844 en BRS.25.001978
ECLI:NL:RVS:2025:5780
Datum uitspraak: 26 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 29 oktober 2025 in zaak nr. NL25.24415 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 29 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Jhingoer, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Appellant klaagt in zijn twee grieven dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de gronden van beroep niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft ingediend.
1.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb bevat een beroepschrift ten minste de gronden van het beroep. Ingevolge artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb kan het beroep niet--ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Uit artikel 1, eerste lid, van de Algemene termijnenwet volgt dat een in een wet gestelde termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. In artikel 3 van de Algemene termijnenwet staat welke dagen in de zin van die wet algemeen erkende feestdagen zijn.
In artikel 8.9 van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken is bepaald dat de rechtbank de indiener van het beroep in de gelegenheid stelt om het verzuim te herstellen en dat de termijn voor herstel eindigt aan het einde van de vijfde werkdag na verzending van de ontvangstbevestiging van het beroepschrift.
1.2. Op 31 mei 2025 heeft appellant bij de rechtbank beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij brief van 2 juni 2025 bevestigd dat zij het beroep heeft ontvangen en verzocht om de gronden van beroep binnen vijf werkdagen, maar uiterlijk op 9 juni 2025, in te dienen. Vervolgens heeft appellant op 10 juni 2025 de gronden van beroep ingediend.
1.3. Appellant wijst erop dat 9 juni 2025 tweede Pinksterdag was en dat is volgens artikel 3, eerste lid, van de Algemene termijnenwet een algemeen erkende feestdag. Daarom betoogt appellant terecht dat de termijn voor het indienen van de gronden van beroep op 10 juni 2025 eindigde en hij de gronden van beroep wel binnen de door de rechtbank gegeven hersteltermijn van vijf werkdagen heeft ingediend. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.
1.4. De grieven slagen.
2. Het hoger beroep is gegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De voorzieningenrechter van de Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de voorzieningenrechter van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De minister moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 29 oktober 2025 in zaak nr. NL25.24415;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;
IV. wijst het verzoek af;
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 907,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van N. Capel LLM, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Capel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025
1024