202503419/1/V1.
Datum uitspraak: 28 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant 1], [appellant 2] en mede voor hun minderjarige kinderen,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 19 mei 2025 in zaak nr. NL25.15477 in het geding tussen:
appellanten
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen.
Bij uitspraak van 19 mei 2025 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister vóór 30 november 2026 alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 28 oktober 2025 heeft de minister een mvv verleend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep van appellanten gaat uitsluitend over de duur van de door de rechtbank bepaalde beslistermijn voor het nemen van een besluit op de mvv-aanvraag in het kader van nareis.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. Met de door de minister verleende mvv hebben appellanten bereikt wat zij met de mvv-aanvraag beogen. Daarom hebben zij geen belang bij de beoordeling van het hoger beroep.
3. De Afdeling zal beoordelen of zij de minister met toepassing van artikel 8:75 van de Awb tot vergoeding van de proceskosten moet veroordelen. Daarvoor kan aanleiding bestaan als de minister aan appellanten tegemoet is gekomen of als het belang anderszins door haar toedoen is vervallen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:570, onder 4).
4. Het belang bij de beoordeling van het hoger beroep is vervallen doordat de minister een mvv heeft verleend. Daarmee is de minister aan appellanten tegemoetgekomen. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
5. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden. Het hoger beroep gaat uitsluitend over het niet tijdig nemen van een besluit op de mvv-aanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van den Oosterkamp
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 november 2025
941