ECLI:NL:RVS:2025:5809

ECLI:NL:RVS:2025:5809, Raad van State, 01-12-2025, 202407770/1/V1

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 01-12-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer 202407770/1/V1
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 14 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen. Bij besluit van 6 september 2023, waarvan hij de motivering heeft aangevuld op 8 december 2023, heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 21 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

202407770/1/V1.

Datum uitspraak: 1 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 november 2024 in zaak nr. NL23.28632 in het geding tussen:

[de betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 6 september 2023, waarvan hij de motivering heeft aangevuld op 8 december 2023, heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.K. Matpanözer, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De minister heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1976 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij is op 3 november 1981 met zijn ouders uit Irak naar Nederland gevlucht en is met ingang van 9 december 1985 toegelaten als vluchteling. Op 1 april 2001 is de aan betrokkene verleende vluchtelingenstatus van rechtswege aangemerkt als een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De minister heeft deze verblijfsvergunning bij besluit van 1 juni 2017 met terugwerkende kracht tot 28 december 2010 ingetrokken, vanwege strafrechtelijke veroordelingen. Ook heeft de minister een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod voor de duur van tien jaren uitgevaardigd.

1.1. Betrokkene heeft op 26 augustus 2020 een aanvraag ingediend voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, vanwege een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU en het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. Betrokkene beoogt verblijf bij zijn twee dochters, die zijn geboren op 8 januari 2010 en de Nederlandse nationaliteit hebben. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat betrokkene niet voldoet aan het beleid uit paragraaf B10/2.5.1 van de Vc 2000. Betrokkene heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij meer dan marginale zorgtaken verricht voor zijn dochters en er een zodanige afhankelijkheid tussen hem en zijn dochters bestaat dat zijn dochters gedwongen zouden zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als betrokkene een verblijfsrecht wordt geweigerd.

1.2. Volgens de rechtbank heeft de minister terecht overwogen dat de zorgtaken die betrokkene verricht marginaal zijn, maar heeft de minister ondeugdelijk gemotiveerd dat dit niet te wijten is aan de psychische problematiek van betrokkene. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister actief onderzoek had moeten doen naar de afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en zijn dochters, gelet op het overgelegde rapport ‘Best Interests of the Child-Assessment’ van 20 juli 2023 (hierna: het BIC-rapport). Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.

Hoger beroep van de minister

2. De minister klaagt in de eerste grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat zij in het besluit van 6 september 2023 onvoldoende rekening heeft gehouden met de omstandigheden dat betrokkene ondanks zijn beperkingen al jaren uitvoering geeft aan het ouderschapsplan en dat in 2020 aan hem gezamenlijk gezag met de moeder is toegekend. De minister betoogt terecht dat zij deze omstandigheden expliciet heeft betrokken in het besluit. De minister heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd waarom zij de door betrokkene verrichte zorgtaken niet aanmerkt als meer dan marginale zorgtaken. Overigens wijst de minister er terecht op dat de rechtbank ook heeft geoordeeld dat alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien marginaal van aard zijn. De grief slaagt.

3. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de omstandigheid dat betrokkene slechts marginale zorgtaken verricht, niet te wijten is aan zijn psychische problematiek. De minister wijst er terecht op dat de rechtbank haar is gevolgd in haar primaire standpunt dat het beleid in paragraaf B10/2.5.1 van de Vc 2000 in dit geval geen ruimte biedt om betrokkene niet aan te rekenen dat hij marginale zorgtaken verricht. In het geval van betrokkene speelt immers niet de situatie uit paragraaf B10/2.5.1.3, derde bolletje, van de Vc 2000 dat de andere ouder de omgang met de kinderen frustreert. Verder wijst de minister er terecht op dat zij niet bevoegd is om een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vast te stellen als dat niet daadwerkelijk bestaat. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3693, onder 5.3. De minister moet daarom niet de hypothetische situatie beoordelen of betrokkene meer dan marginale zorgtaken zou verrichten, als zijn psychische problematiek daaraan niet in de weg staat. De minister betoogt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte het subsidiaire standpunt van de minister heeft getoetst dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat het marginale karakter van de zorgtaken te wijten is aan zijn psychische problematiek.

3.1. Voor zover de minister betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vereisten in paragraaf B10/2.5.1 van de Vc 2000 cumulatief zijn, slaagt dit betoog niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3344, onder 3.3, volgt dat de minister de vereisten niet als cumulatief mag uitleggen. Dit neemt echter niet weg dat de tweede grief slaagt, gelet op wat de Afdeling hiervoor overweegt.

4. De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat, gelet op het begin van bewijs in het BIC-rapport, het op de weg van de minister lag om aan de hand van de door betrokkene verstrekte gegevens de afhankelijkheidsverhouding met zijn dochters actief te onderzoeken door de betrokken deskundigen waar nodig verder te bevragen en/of inschakeling van een andere deskundige, bijvoorbeeld de Raad voor de Kinderbescherming. De minister betoogt dat zij in de aanvullende motivering van 8 december 2023 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het BIC-rapport niet inzichtelijk is.

4.1. De minister betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de kanttekeningen die de minister in de aanvullende motivering van 8 december 2023 heeft geplaatst bij de inzichtelijkheid van het BIC-rapport. Alleen al daarom heeft de rechtbank ten onrechte in het BIC-rapport aanleiding gezien om de minister op te dragen om actief onderzoek te doen naar de afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en zijn dochters.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1821, onder 4.1) is het in de eerste plaats aan een vreemdeling om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat een afhankelijkheidsverhouding bestaat. De minister heeft zich gelet op het voorgaande terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene hier niet in is geslaagd. De grief slaagt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De minister komt in hoger beroep niet op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De minister moet daarom alsnog een nieuw besluit op het bezwaar nemen, met inachtneming van deze uitspraak en de uitspraak van de rechtbank, voor zover de minister deze niet heeft aangevochten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep gegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Pronk

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025

1028

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. H.G. Sevenster
  • mr. J. Schipper-Spanninga
  • mr. J. Luijendijk

Griffier

  • mr. E.E. Pronk

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?