ECLI:NL:RVS:2025:5844

ECLI:NL:RVS:2025:5844, Raad van State, 03-12-2025, 202406735/1/A2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer 202406735/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0047436

Samenvatting

Bij besluit van 23 november 2022 heeft de minister van Financiën een aanvraag van [appellante] om compensatie van een afgeloste geldschuld afgewezen. [appellante] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Op 26 juni 2006 heeft zij bij Defam B.V. een lening van € 25.500,00 afgesloten, waarop zij op 6 maart 2021, met gebruikmaking van het compensatiebedrag dat zij van de Belastingdienst heeft ontvangen, € 11.015,83 heeft afgelost. [appellante] heeft de minister gevraagd om een deel van de schuld, gelijk aan deze aflossing, over te nemen en haar een bedrag van € 11.015,83 te betalen. De minister heeft geweigerd het door [appellante] betaalde deel van de schuld over te nemen, omdat de schuld bij Defam B.V. niet, vanwege betalingsachterstanden, vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.

Uitspraak

202406735/1/A2.

Datum uitspraak: 3 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in [woonplaats],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 8 oktober 2024 in zaak nr. 23/5491 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2022 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om compensatie van een afgeloste geldschuld afgewezen.

Bij besluit van 6 juli 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. A. Bal, advocaat in Arnhem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. Rhebergen en mr. drs. A. Divis-Stein, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. [appellante] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Op 26 juni 2006 heeft zij bij Defam B.V. een lening van € 25.500,00 afgesloten, waarop zij op 6 maart 2021, met gebruikmaking van het compensatiebedrag dat zij van de Belastingdienst heeft ontvangen, € 11.015,83 heeft afgelost. [appellante] heeft de minister gevraagd om een deel van de schuld, gelijk aan deze aflossing, over te nemen en haar een bedrag van € 11.015,83 te betalen.

2. In hoofdstuk 4 van de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) is vastgelegd onder welke voorwaarden een gedupeerde van de toeslagenaffaire in aanmerking kan komen voor het overnemen en betalen van private schulden. In artikel 4.3 van de Wht is een regeling opgenomen voor compensatie van al afgeloste private schulden. Deze bepaling houdt in dat, kort gezegd en voor zover hier van belang, een private schuld die is betaald na ontvangst van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht, bijvoorbeeld de toekenning van een geldbedrag als bedoeld in artikel 2.1 van de Wht, in aanmerking komt voor vergoeding, als de afgeloste schuld, wanneer deze niet was voldaan, op grond van de Wht zou zijn overgenomen.

3. Op grond van artikel 4.1 van de Wht neemt de minister een geldschuld, als bedoeld in het eerste lid, over, indien is voldaan aan de in het tweede lid gestelde voorwaarden dat deze schuld:

a. is ontstaan na 31 december 2005;

b. vóór 1 juni 2021 opeisbaar was; en

c. niet is voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

4. De minister heeft geweigerd het door [appellante] betaalde deel van de schuld over te nemen, omdat de schuld bij Defam B.V. niet, vanwege betalingsachterstanden, vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden.

Uitspraak van de rechtbank

5. De rechtbank heeft overwogen dat de regeling voor het overnemen van private schulden bedoeld is om een gedupeerde ouder zo veel mogelijk kans te bieden op een nieuwe start. De minister heeft zich, gelet de toepasselijke bepalingen van de Wht, terecht op het standpunt gesteld dat hij de schuld van [appellante] niet hoeft over te nemen. Ook in beroep is niet gesteld of gebleken dat er een betalingsachterstand was waardoor de schuld opeisbaar is geworden. Verder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden.

Hoger beroep

6. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afwijzing van haar aanvraag om het afgeloste deel van de schuld over te nemen in strijd is met de doelstellingen van de Wht. Zij voert aan dat de opeisbaarheidseis geen belemmering mag vormen voor het herstel van het onrecht en dat zij een nieuwe start verdient. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met het feit dat de schuld een gevolg is van de toeslagenaffaire. Volgens [appellante] zijn de gevolgen van het besluit van de minister onevenredig in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.

6.1. De gronden die [appellante] aanvoert, gaan over rechtsvragen die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie onder meer de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2045). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in haar geval anders te oordelen.

7. Op de zitting bij de Afdeling heeft [appellante] een beroep gedaan op de hardheidsclausule.

7.1. Degene die een beroep op de hardheidsclausule doet, moet in ieder geval inzichtelijk maken waaruit de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie bestaat, en moet dit zo concreet mogelijk onderbouwen.

7.2. Op de zitting zijn geen nadere aanknopingspunten geboden die reden zouden kunnen zijn voor nader onderzoek. Daarom slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456).

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

9. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Meijer

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hazen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025

452-1112

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.J.R. Hazen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?