ECLI:NL:RVS:2025:5858

ECLI:NL:RVS:2025:5858, Raad van State, 03-12-2025, 202502904/1/R4

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 03-12-2025
Datum publicatie 03-12-2025
Zaaknummer 202502904/1/R4
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005537

Samenvatting

Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het college zijn beslissing om op 18 september 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening gemeente Tilburg 2019 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van twee kartonnen dozen, een witte en een bruine, die op 18 september 2024 zijn aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer aan de Melsbroekstraat in Tilburg. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de dozen verkeerd heeft aangeboden, omdat op beide dozen haar naam en adres op de adreslabels staan. Het besluit om spoedeisende bestuursdwang toe te passen is gedateerd op 2 oktober 2024. [appellante] heeft hiertegen op 13 januari 2025 bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaartermijn volgens het college afliep op 14 november 2024. [appellante] betoogt dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stelt dat zij er pas in december 2024 achter kwam dat het besluit van 2 oktober 2024 was genomen, doordat haar huisgenoot de post met daarin het besluit in ontvangst had genomen en het niet aan haar had doorgegeven. Toen zij het besluit eenmaal onder ogen kreeg, heeft zij onmiddellijk bezwaar gemaakt, aldus [appellante].

Uitspraak

202502904/1/R4.

Datum uitspraak: 3 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend in Tilburg,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het college zijn beslissing om op 18 september 2024 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening gemeente Tilburg 2019 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een deel van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 125,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 21 februari 2025 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.F.M. van Gansen, is verschenen.

Overwegingen

1. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van twee kartonnen dozen, een witte en een bruine, die op 18 september 2024 zijn aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer aan de Melsbroekstraat in Tilburg. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de dozen verkeerd heeft aangeboden, omdat op beide dozen haar naam en adres op de adreslabels staan.

2. Het besluit om spoedeisende bestuursdwang toe te passen is gedateerd op 2 oktober 2024. [appellante] heeft hiertegen op 13 januari 2025 bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat de bezwaartermijn volgens het college afliep op 14 november 2024.

3. [appellante] betoogt dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij stelt dat zij er pas in december 2024 achter kwam dat het besluit van 2 oktober 2024 was genomen, doordat haar huisgenoot de post met daarin het besluit in ontvangst had genomen en het niet aan haar had doorgegeven. Toen zij het besluit eenmaal onder ogen kreeg, heeft zij onmiddellijk bezwaar gemaakt, aldus [appellante].

3.1. Een termijnoverschrijding is verschoonbaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Dit staat in artikel 6:11 van de Awb. Ten eerste is daarvoor vereist dat de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Ten tweede is vereist dat het bezwaarschrift of beroepschrift zo spoedig mogelijk is ingediend als redelijkerwijs kon worden verlangd.

Een termijnoverschrijding kan niet aan de indiener worden toegerekend als er bijzondere omstandigheden zijn bij de indiener, of als de termijnoverschrijding is veroorzaakt door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan. Er kunnen ook andere redenen zijn waardoor de termijnoverschrijding niet aan de indiener kan worden toegerekend. Daarbij wordt een op het individuele geval gerichte, contextuele benadering gevolgd.

Bijzondere omstandigheden bij de indiener kunnen persoonlijke omstandigheden of externe omstandigheden zijn. Als de indiener als gevolg van deze omstandigheden geen verwijt kan worden gemaakt van de termijnoverschrijding, kan de termijnoverschrijding niet aan de indiener worden toegerekend. Daarnaast is er ruimte om in gevallen waarin sprake is van een slechts geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de termijnoverschrijding, deze niet aan de indiener toe te rekenen. Of sprake is van een geringe verwijtbaarheid is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

3.2. Het besluit van 2 oktober 2024 is op diezelfde dag per post verstuurd, zodat de bezwaartermijn de dag daarna begon. Vast staat dat het besluit naar het juiste adres is verstuurd. De termijn liep daarna zes weken lang en eindigde op 14 november 2024. [appellante] heeft bezwaar gemaakt op 13 januari 2025, dus ruim na het einde van de bezwaartermijn. Dat dit wellicht kon gebeuren doordat de huisgenoot van [appellante], zoals zij stelt, de post niet tijdig aan haar heeft doorgegeven, is geen bijzondere omstandigheid die maakt dat de termijnoverschrijding niet aan [appellante] kan worden toegerekend. Hoe zuur dat ook is, komt de eventuele nalatigheid van haar huisgenoot voor [appellante]’s risico. Zij had immers ook zelf met enige regelmaat kunnen controleren of er nog post voor haar is ontvangen. Haar betoog geeft, wat daar feitelijk ook van zij, dan ook geen aanleiding tot het oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Het betoog slaagt niet.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.O. van Veldhuizen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.C. Hoekstra, griffier.

w.g. Van Veldhuizen

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Hoekstra

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 december 2025

860

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. A.M.C. Hoekstra

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl ABkort 2026/3 NJB 2026/18
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?