BRS.24.000376
ECLI:NL:RVS:2025:5882
Datum uitspraak: 5 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 oktober 2024 in zaak nr. NL24.39529 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 7 oktober 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 22 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.D. Kupelian, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Feiten
1. Betrokkene heeft op 8 augustus 2023 een eerste asielaanvraag ingediend in Nederland. Na zijn aanmeldgehoor is hij op 24 januari 2024 met onbekende bestemming vertrokken. Vervolgens heeft betrokkene op 8 februari 2024 asiel aangevraagd in Zwitserland. Op 15 februari 2024 heeft de minister de asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 en heeft zij een terugkeerbesluit genomen. Op 30 mei 2024 heeft Zwitserland betrokkene overgedragen aan Nederland op grond van de Dublinverordening. De minister heeft op 29 augustus 2024 aan betrokkene medegedeeld dat hij op 7 oktober 2024 zou worden uitgezet. Betrokkene heeft op 3 oktober 2024 een tweede asielaanvraag ingediend in Nederland.
1.1. Betrokkene is op 7 oktober 2024 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Aan de maatregel liggen de zware gronden 3a, 3b, 3c en 3d en de lichte gronden 4a, 4c en 4d uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 ten grondslag.
Het hoger beroep van de minister en het oordeel van de Afdeling
De eerste grief
2. De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat een feitelijke vaststelling van een zware grond uit artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 niet kan volstaan om een maatregel van bewaring te rechtvaardigen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan namelijk ook met een feitelijke vaststelling worden voldaan aan het vereiste van individueel motiveren. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5663, onder 2.
2.1. De grief slaagt.
De derde grief
3. De minister klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 (hierna: de c-grond) als wettelijke grondslag voor de maatregel heeft gebruikt. De minister voert terecht aan dat zij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de c-grond wel van een deugdelijke motivering heeft voorzien.
3.1. De minister heeft in de maatregel toegelicht dat betrokkene eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland, en dat hij pas een tweede asielaanvraag heeft ingediend nadat de minister hem had ingelicht over de geplande uitzetting. Ook heeft de minister in de maatregel toegelicht dat betrokkene eerder dit jaar op een azc verbleef, toen met onbekende bestemming is vertrokken, en vervolgens naar Zwitserland is gegaan en daar een asielaanvraag heeft ingediend.
3.2. Met deze motivering heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat op redelijke gronden kan worden aangenomen dat betrokkene de aanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen.
3.3. De rechtbank heeft verder ten onrechte in dit kader van belang geacht dat betrokkene een uitgebreid asielrelaas heeft gedaan in zijn nader gehoor van 16 oktober 2024 en kennelijk wel ergens voor stelt te vrezen. Het asielrelaas van betrokkene staat los van de beoordeling of op redelijke gronden kan worden aangenomen dat hij zijn asielaanvraag louter heeft ingediend om de uitvoering van het terugkeerbesluit uit te stellen of te verijdelen. Het asielrelaas wordt namelijk door de minister beoordeeld in de asielprocedure en niet in de bewaringsprocedure.
3.4. De grief slaagt. Wat de minister in haar tweede grief heeft aangevoerd over artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als wettelijke grondslag voor de maatregel van bewaring, behoeft geen inhoudelijke bespreking. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1528, onder 3.2, kunnen namelijk alle gronden uit artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000, zelfstandig een bewaring dragen.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. De Afdeling wijst het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 22 oktober 2024 in zaak nr. NL24.39529;
III. verklaart het beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025
846-1073