202303123/1/V1.
Datum uitspraak: 4 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 april 2023 in zaak nr. NL23.7019 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2022 heeft de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het daartegen door haar gemaakte bezwaar.
Bij uitspraak van 18 april 2023 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de staatssecretaris uiterlijk op 31 mei 2023 alsnog een besluit op het bezwaar bekendmaakt en aan betrokkene een dwangsom verbeurt van € 250,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Oomen, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 4 september 2023 heeft de staatssecretaris het tegen het besluit van 10 januari 2022 door betrokkene gemaakte bezwaar gegrond verklaard en een mvv verleend.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. De in de eerste grief opgeworpen rechtsvraag heeft de Afdeling beantwoord in de uitspraak van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2642. Uit wat de Afdeling in die uitspraak, onder 2.2, heeft overwogen, volgt dat de minister in die grief terecht klaagt dat de rechtbank de beslistermijn van zestien weken die zij passend heeft geacht ten onrechte heeft laten ingaan op de datum van ontvangst van de ingebrekestelling in plaats van op de dag na verzending van de uitspraak. De grief slaagt.
2. In de tweede grief betoogt de minister terecht dat de rechtbank ten onrechte een hogere dwangsom heeft opgelegd van € 250,00 voor elke dag dat zij de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00. Als vaste gedragslijn in vreemdelingenzaken legt de rechtbank namelijk een dwangsom op van € 100,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00. Daarbij volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2337, onder 13.10 en 13.11, dat in concrete gevallen aanleiding kan bestaan om van dit beleid af te wijken als er een sterkere prikkel nodig is, hetzij vanwege gebleken weigerachtigheid van het bestuursorgaan, hetzij vanwege het grote belang, maar dat een dwangsom van de hoogte die de rechtbank in dit geval heeft opgelegd veel eerder uitzondering dan regel moet zijn. Naar het oordeel van de Afdeling doen zich in deze zaak echter geen vergelijkbare omstandigheden voor als in de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van 21 mei 2025. De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de beslistermijn heeft laten ingaan op de datum van ontvangst van de ingebrekestelling en zij een hogere dwangsom heeft opgelegd van € 250,00 voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00. De Afdeling zal de door de rechtbank bepaalde beslistermijn van zestien weken laten ingaan na de dag van verzending van de uitspraak. Deze termijn loopt vanaf de datum van de uitspraak van de rechtbank en niet vanaf de datum van deze uitspraak in hoger beroep. Ook zal zij de hoogte van de dwangsom vaststellen op € 100,00 per dag, met een maximum van maximum van € 7.500,00. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 april 2023 in zaak nr. NL23.7019, voor zover zij de beslistermijn heeft laten ingaan op de datum van ontvangst van de ingebrekestelling en zij een hogere dwangsom heeft opgelegd van € 250,00 voor elke dag dat de minister van Asiel en Migratie de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,00;
III. bepaalt dat de minister binnen zestien weken na de dag van verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar had moeten bekendmaken;
IV. vervangt de dwangsom in die uitspraak door een dwangsom van € 100,00 voor elke dag dat de minister de beslistermijn heeft overschreden, met een maximum van € 7.500,00.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.
w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verbeek
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025
574-1095