202307548/1/V1.
Datum uitspraak: 4 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 8 december 2023 in zaak nr. NL23.34009 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 8 december 2023 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I. Vreeken, advocaat in Zutphen, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 18 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de asielaanvraag ingewilligd.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op zijn asielaanvraag. Dat heeft de minister met het besluit van 18 januari 2024 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt. Wat appellant aanvoert, schept geen belang voor het beoordelen van zijn hoger beroep.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4125, prejudiciële vragen gesteld over de vraag of de minister met WBV 2022/22 de beslistermijn met negen maanden heeft mogen verlengen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 8 mei 2025, ECLI:EU:C:2025:326, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. Dit heeft echter geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister bij het besluit van 18 januari 2024 de aanvraag van appellant om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingewilligd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, volgt dat de beslistermijn aanvangt op het moment dat een vreemdeling ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar maakt, waarvan de loopbrief doorgaans het bewijs is. De minister kan de beslistermijn opschorten. In dit geval maakt het niet uit of de minister de beslistermijn heeft opgeschort of niet, omdat er na de ondertekening van het formulier model M35-H op 20 september 2022 meer dan vijftien maanden zijn verstreken voordat de minister het besluit heeft genomen op de asielaanvraag. Dit betekent dat de minister, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden heeft overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
3. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
Het besluit van 18 januari 2024
4. De minister is in het besluit van 18 januari 2024 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld door de Afdeling, laten weten het eens te zijn met dit besluit. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang bezien met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 453,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025
1028