BRS.24.000379
ECLI:NL:RVS:2025:5910
Datum uitspraak: 8 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 oktober 2024 in zaak nr. NL24.40105 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 14 oktober 2024 heeft de minister betrokkene in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 25 oktober 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
Feiten
1. Betrokkene heeft op 7 januari 2024 een asielaanvraag ingediend in Kroatië. Op 29 januari 2024 heeft hij een asielaanvraag ingediend in Nederland. Omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening, is betrokkene op 11 oktober 2024 overgedragen aan Kroatië. Op 14 oktober 2024 is betrokkene weer aangetroffen op het azc in Nederland en heeft hij opnieuw een asielaanvraag ingediend.
1.1. Betrokkene is op 14 oktober 2024 staande gehouden en in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000. Dit is de zogeheten Dublinbewaring. Aan de maatregel van bewaring liggen de zware gronden 3a en 3b, en de lichte gronden 4a, 4c en 4d uit artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb 2000 ten grondslag.
Het hoger beroep van de minister en het oordeel van de Afdeling
2. De minister klaagt in haar enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat er sprake is van een significant risico op onderduiken. De minister voert terecht aan dat de rechtbank met haar overweging dat niet uit het gedrag van betrokkene evident blijkt dat hij de voorgenomen overdracht in gevaar brengt, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. De Afdeling licht dit toe.
2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Dublinverordening, waarnaar artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 verwijst, is bewaring teneinde het veiligstellen van de overdracht toegestaan indien er een significant risico op onderduiken bestaat. Op grond van artikel 5.1a, vijfde lid, samen gelezen met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000, bestaat er zo’n risico wanneer ten minste twee gronden zich voordoen, waarvan ten minste één zware grond.
2.2. Betrokkene heeft in beroep de gronden 3a, 4a en 4d betwist. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de minister deze gronden deugdelijk gemotiveerd aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Op grond van artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb 2000, in samenhang gelezen met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000, heeft de minister daarom deugdelijk gemotiveerd dat uit deze gronden in beginsel een significant risico op onderduiken volgt.
2.3. De rechtbank heeft in antwoord op de vraag of er een risico op onderduiken bestaat ten onrechte van belang geacht dat zij in de vorige bewaringsprocedure van betrokkene met haar uitspraak van 21 oktober 2024 in zaak nr. NL24.39263 heeft geoordeeld dat er geen sprake was van een significant risico op onderduiken. Dat oordeel staat los van het oordeel over het risico op onderduiken in deze bewaringsprocedure. Daarbij komt dat de Afdeling die uitspraak van de rechtbank heeft vernietigd met haar uitspraak van 25 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3442.
2.4. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat van belang is dat betrokkene zich altijd aan zijn meldplicht heeft gehouden en heeft meegewerkt aan zijn overdracht op 11 oktober 2024. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat, toen betrokkene werd staande gehouden op 14 oktober 2024, de termijn om zich na aankomst in Nederland te melden nog niet was verstreken. Deze omstandigheden nemen namelijk niet weg dat uit bovengenoemde gronden in beginsel een significant risico op onderduiken volgt. De juistheid van de gronden wordt namelijk niet betwist met deze omstandigheden en deze omstandigheden maken ook niet dat in het geval van betrokkene de bovengenoemde gronden niet langer van belang zijn voor het aannemen van een risico op onderduiken. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5262, onder 4.1. Dat betrokkene zich aan zijn meldplicht heeft gehouden en dat de termijn om zich na zijn aankomst in Nederland te melden nog niet was verstreken, heeft namelijk niets te maken met het feit dat betrokkene Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen (grond 3a), zich niet heeft gehouden aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 (grond 4a) en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan (grond 4d).
2.5. De grief slaagt.
Het incidenteel hoger beroep van betrokkene
3. Gelet op artikel 83c, vierde lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is geen incidenteel hoger beroep mogelijk in een bewaringszaak. Het incidenteel hoger beroep is daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie
4. Het hoger beroep van de minister is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene is niet-ontvankelijk. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Omdat er geen beroepsgronden zijn waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 25 oktober 2024 in zaak nr. NL24.40105;
IV. verklaart het beroep ongegrond;
V. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.M. Willems en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Weber
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 december 2025
846-1073