202504950/1/A2.
Datum uitspraak: 10 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college),
verweerder.
Procesverloop
Bij e-mail van 12 augustus 2025 heeft [appellant] de commissaris van de Koning van de provincie Gelderland verzocht om over te gaan tot indeplaatsstelling van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem voor de huisvesting van statushouders.
Bij brief van 26 augustus 2025 heeft de commissaris van de Koning het verzoek doorgezonden naar het college.
Bij brief van 28 augustus 2025 heeft [appellant] beroep ingesteld bij de Afdeling.
Bij besluit van 16 september 2025 heeft het college [appellant] laten weten op dit moment geen aanleiding te zien om maatregelen te treffen ten aanzien van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 18 november 2025, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. J.A.E Ross en [gemachtigde], zijn verschenen.
Overwegingen
1. [appellant] heeft asiel aangevraagd in Nederland. Zijn aanvraag is goedgekeurd en hij beschikt sinds 11 november 2024 over een tijdelijke verblijfsvergunning. Op grond van artikel 28 van de Huisvestingswet dragen burgemeester en wethouders zorg voor de voorziening in de huisvesting van vergunninghouders in de gemeente overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers heeft [appellant] gekoppeld aan de gemeente Hattem. Dit betekent dat de gemeente Hattem zorg draagt voor een passende woning voor [appellant].
2. [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van taakverwaarlozing aan de kant van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hattem, omdat hij nog geen woning heeft gekregen. Hij heeft daarom de commissaris van de Koning verzocht om een indeplaatsstellingsbesluit als bedoeld in artikel 124 van de Gemeentewet te nemen. De commissaris van de Koning heeft dit verzoek doorgezonden naar het college. [appellant] heeft vervolgens bij de Afdeling beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit door het college op zijn aanvraag van 12 augustus 2025.
3. Op 16 september 2025 heeft het college [appellant] laten weten dat het op dit moment geen reden ziet om de taak van de gemeente Hattem over te nemen en dat zijn verzoek daarom wordt afgewezen. Een dergelijke weigering wordt op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) gelijk gesteld met een besluit. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van [appellant] wegens het niet-tijdig beslissen op zijn verzoek mede betrekking op dit besluit.
4. Op grond van artikel 8:5, eerste lid, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (hierna: de Bevoegdheidsregeling). Ingevolge artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit genomen op grond van artikel 124 van de Gemeentewet, voor zover het beroep niet wordt ingesteld door de raad, het college van burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk de burgemeester. Voorgaande betekent dat er geen publiekrechtelijke rechtsbescherming openstaat voor andere mogelijke betrokkenen tegen een besluit tot indeplaatsstelling. Dit impliceert dat een verzoeker evenmin op grond van artikel 6:2, aanhef en onder a, van de Awb beroep kan instellen tegen een weigering om een besluit tot indeplaatsstelling te nemen. Gelet hierop is de Afdeling kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep wegens niet tijdig beslissen op het verzoek om indeplaatsstelling en het beroep tegen het besluit van 16 september 2025 waarin het college het verzoek van [appellant] heeft afgewezen.
5. Voor zover [appellant] met wat hij op de zitting naar voren heeft gebracht heeft bedoeld om een verzoek om schadevergoeding te doen, merkt de Afdeling daarover op dat zij niet bevoegd is om van dit verzoek kennis te nemen, gelet op wat zij hiervoor onder 4 heeft overwogen.
Conclusie
6. De Afdeling is onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025
1064