ECLI:NL:RVS:2025:5914

ECLI:NL:RVS:2025:5914, Raad van State, 10-12-2025, 202505487/1/A2

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 10-12-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 202505487/1/A2
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 1 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0005682

Samenvatting

Bij beslissing van 28 augustus 2025 heeft het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam bepaald dat het instellingscollegegeld voor [appellant] € 15.800,00 bedraagt voor het studiejaar 2025-2026. Aan de beslissing heeft het CvB ten grondslag gelegd dat [appellant] in februari 2009 een bacheloropleiding heeft afgerond, waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.45a, eerste, tweede of zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 7.46, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. [appellant] voldoet ook niet aan de voorwaarden om aanspraak te maken op het wettelijk collegegeld in verband met gelijktijdig gevolgde opleidingen. Ook is de overgangsregeling van artikel 21 van het Inschrijvingsbesluit Universiteit van Amsterdam 2025-2026 niet van toepassing, omdat [appellant] per 1 september 2025 de nominale duur van de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid plus één extra jaar heeft verbruikt. [appellant] staat dan immers voor het vijfde jaar voor deze opleiding ingeschreven. Het CvB heeft [appellant] op 12 november 2025 op zijn verzoek uitgeschreven per 30 september 2025. [appellant] betoogt in beroep dat het instellingscollegegeld onevenredig is.

Uitspraak

202505487/1/A2.

Datum uitspraak: 10 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

en

het college van bestuur van de Universiteit van Amsterdam (hierna: het CvB),

verweerder.

Procesverloop

Bij beslissing van 28 augustus 2025 heeft het CvB bepaald dat het instellingscollegegeld voor [appellant] € 15.800,00 bedraagt voor het studiejaar 2025-2026.

Bij beslissing van 17 oktober 2025 heeft het CvB het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het CvB heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 november 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, en het CvB, vertegenwoordigd door mr. M.J. Wijnen, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Aan de beslissing van 28 augustus 2025 heeft het CvB ten grondslag gelegd dat [appellant] in februari 2009 een bacheloropleiding heeft afgerond, waardoor hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7.45a, eerste, tweede of zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 7.46, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. [appellant] voldoet ook niet aan de voorwaarden om aanspraak te maken op het wettelijk collegegeld in verband met gelijktijdig gevolgde opleidingen. Ook is de overgangsregeling van artikel 21 van het Inschrijvingsbesluit Universiteit van Amsterdam 2025-2026 niet van toepassing, omdat [appellant] per 1 september 2025 de nominale duur van de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid plus één extra jaar heeft verbruikt. [appellant] staat dan immers voor het vijfde jaar voor deze opleiding ingeschreven. Met zijn beslissing van 17 oktober 2025 heeft het CvB de beslissing van 28 augustus 2025 gehandhaafd. Het CvB heeft [appellant] op 12 november 2025 op zijn verzoek uitgeschreven per 30 september 2025.

2. [appellant] betoogt in beroep dat het instellingscollegegeld onevenredig is. Het CvB heeft de noodzaak en evenwichtigheid van de stijging van dit bedrag ten opzichte van het vorige collegejaar onvoldoende gemotiveerd. Het gaat om een verhoging van € 8.300,00 naar € 15.800,00.

2.1. De Afdeling heeft eerder overwogen dat het instellingscollegegeldtarief voor het studiejaar 2023-2024 en de methodiek van bepalen daarvan niet onredelijk is (uitspraak van 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3602). Het college heeft ter zitting toegelicht, wat ook uit de toelichting bij het Inschrijvingsbesluit volgt, dat de manier waarop de hoogte van instellingscollegegeld voor het academisch jaar 2025-2026 is bepaald, dezelfde is als in voorgaande jaren. Uitgangspunt van die methodiek van bepalen is de Rijksbijdrage voor bekostigde studenten en dat de tarieven minimaal kostendekkend moeten zijn. Zoals ter zitting is toegelicht, was het tarief van het instellingscollegegeld door externe en interne factoren steeds minder kostendekkend. Dus heeft het CvB de tarieven opnieuw berekend om het tarief van het instellingscollegegeld wel kostendekkend te maken. Daarbij heeft het kostenposten die in eerdere jaren buiten beschouwing waren gelaten, dit jaar wel meegenomen. Dit betreft de vaste voet onderwijs en de vaste voet onderzoek. Het CvB heeft in het Beleid ten aanzien van de instellingscollegegeldtarieven voor de periode 2025-2026 tot en met 2031-2032 van 1 januari 2024 toegelicht hoe de tarieven tot stand zijn gekomen en met een berekening toegelicht waarom het tarief voor dit collegejaar niet meer dan kostendekkend is. [appellant] heeft geen aanknopingspunten gegeven om te twijfelen aan deze berekening. Hiermee heeft het CvB, anders dan [appellant] betoogt, dus duidelijk gemaakt op welke wijze de hoogte van dit tarief is bepaald, dat het niet meer dan kostendekkend is en de noodzaak en evenwichtigheid van de verhoging van het tarief voldoende aangetoond.

3. [appellant] betoogt verder dat het CvB onvoldoende zorg heeft gedragen voor een veilige en neutrale sfeer op de universiteit, waardoor hij een jaar studievertraging heeft opgelopen. Deze sfeer heeft hem belemmerd in het volgen van onderwijs. Daarom vindt hij dat hij niet meer dan het instellingscollegegeldtarief van het vorige collegejaar verschuldigd is.

3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de Universiteit van Amsterdam in het studiejaar 2024-2025 te maken had met ongeregeldheden in en rond de gebouwen van de Universiteit van Amsterdam en spanningen binnen de universitaire gemeenschap als gevolg van de situatie in het Midden-Oosten. Om te beoordelen of het betoog van [appellant] doel treft, moet de Afdeling bezien of voldoende verband bestaat tussen deze omstandigheden en de studievertraging van [appellant]. [appellant] heeft ter onderbouwing daarvan nieuwsberichten en een onderzoek van een adviesbureau naar aanleiding van die ongeregeldheden overgelegd. Daaruit blijkt niet dat de ongeregeldheden en spanningen de directe oorzaak zijn van zijn studievertraging.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Het CvB hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J.W.P. van Gastel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.

w.g. Van Gastel

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van Loon

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 december 2025

284-1175

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. O. van Loon

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?