ECLI:NL:RVS:2025:5917

ECLI:NL:RVS:2025:5917, Raad van State, 09-12-2025, BRS.25.000917

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 09-12-2025
Datum publicatie 17-12-2025
Zaaknummer BRS.25.000917
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Hoger beroep

Samenvatting

Bij besluit van 6 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Uitspraak

BRS.25.000917

ECLI:NL:RVS:2025:5917

Datum uitspraak: 9 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister van Asiel en Migratie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 23 juli 2025 in zaak nr. NL25.4707 in het geding tussen:

[betrokkene]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (hierna: het terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 23 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover daarin een terugkeerbesluit is genomen en een inreisverbod is uitgevaardigd.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of betrokkene verschoonbaar niet tijdig beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 6 januari 2025. Partijen zijn het erover eens dat betrokkene de termijn van één week voor het instellen van beroep (artikel 69, tweede lid, van de Vw 2000) heeft overschreden (artikel 6:9, eerste lid, van de Awb). Om die reden moet in beginsel het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard. Op grond van artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2. De minister klaagt in haar enige grief terecht over het oordeel van de rechtbank dat het beroep van betrokkene ontvankelijk is. De rechtbank heeft in de door betrokkene aangevoerde omstandigheden ten onrechte aanleiding gezien om de termijnoverschrijding niet aan betrokkene toe te rekenen. De Afdeling legt hierna uit waarom.

2.1. Voordat de minister het besluit van 6 januari 2025 bekend had gemaakt, was betrokkene met onbekende bestemming vertrokken. De gemachtigde van betrokkene heeft hem op 6 januari 2025 en op 13 januari 2025 Nederlandstalige e-mails gestuurd met daarin onder meer de vraag of betrokkene beroep wil instellen. Op beide e-mails heeft betrokkene niet gereageerd. De gemachtigde van betrokkene heeft hem vervolgens op 27 januari 2025 telefonisch gevraagd of hij beroep wilde instellen. Betrokkene heeft vervolgens beroep ingesteld op 31 januari 2025.

2.2. De rechtbank heeft overwogen dat, gelet op de taalbarrière die voor betrokkene als asielzoeker geldt, het aannemelijk is dat betrokkene niet eerder dan met het telefonische contact met zijn gemachtigde op 27 januari 2025 op de hoogte kon zijn van de inhoud van het besluit van 6 januari 2025. De minister voert hierover terecht aan dat het ontbreken van mondeling contact tussen betrokkene en zijn rechtsbijstandverlener voor risico komt van betrokkene en dat van bijzondere persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de rechtsbijstandverlener niet is gebleken (uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1871, onder 11.1). De mogelijkheid dat betrokkene de inhoud van de e-mails van zijn gemachtigde niet heeft begrepen omdat deze in het Nederlands waren geschreven, komt evenzeer voor risico van betrokkene. Dit heeft de rechtbank niet onderkend. Dat betekent dat betrokkene onverschoonbaar niet tijdig beroep heeft ingesteld en dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren.

2.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664, kan onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het EHRM van 19 februari 1998, Bahaddar tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494, de noodzaak bestaan om ter voorkoming van schending van artikel 3 van het EVRM een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. Daarvoor is vereist dat wat een vreemdeling heeft aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat de minister bij uitzetting van die vreemdeling artikel 3 van het EVRM zou schenden (zie de uitspraak van 22 juni 2022, onder 11).

2.4. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank het beroep van betrokkene toch ontvankelijk had moeten verklaren. Omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar doen zich hier niet voor. Uit het dossier blijkt namelijk dat betrokkene op 29 augustus 2023 het Verenigd Koninkrijk is binnengekomen, daar een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en daar nog steeds verblijft. Betrokkene heeft een registratiekaart voor een asielaanvraag overgelegd die is afgegeven door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk. Deze registratiekaart is geldig tot 18 juli 2026. Dat betekent dat betrokkene in ieder geval tot die datum in het Verenigd Koninkrijk mag blijven, tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om een onmiskenbare schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen.

2.5. De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is gegrond. Omdat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk had moeten verklaren, behoeft wat de minister verder aanvoert geen bespreking. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 23 juli 2025 in zaak nr. NL25.4707;

III. verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Van Breda

voorzitter

w.g. Weber

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 december 2025

846-1073

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. J.H. van Breda
  • mr. B.P. Vermeulen
  • mr. M. den Heyer

Griffier

  • mr. T.W.A. Weber

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?