ECLI:NL:RVS:2025:5923

ECLI:NL:RVS:2025:5923, Raad van State, 05-12-2025, 202402972/2/A3

Instantie Raad van State
Datum uitspraak 05-12-2025
Datum publicatie 10-12-2025
Zaaknummer 202402972/2/A3
Rechtsgebied Bestuursrecht
Procedure Hoger beroep
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 2 zaken
30 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0005290 BWBR0005537 BWBR0006042 BWBR0006622 BWBR0007013 BWBR0008290 BWBR0008406 BWBR0013798 BWBR0016097 BWBR0019285 BWBR0027866 BWBR0030250 BWBR0031788 BWBR0036381 BWBR0038192 BWBR0038404 BWBR0038711 BWBR0039990 BWBR0042023 BWBR0044303 BWBR0051304 CELEX:32003L0054 CELEX:32003L0086 CELEX:32004R0853 CELEX:32005L0071 CELEX:32009L0072 CELEX:32012L0027 CELEX:32016L0801 CELEX:32016R0429

Samenvatting

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972. De minister van Financiën heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk. Het gaat om een besluit van 28 november 2022 over een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming van een minderjarig kind. Volgens de minister is [appellant] niet de wettelijke vertegenwoordiger van het minderjarige kind. Daarom heeft hij geen recht op inzage van de persoonsgegevens van dat kind. De bescherming van de rechten en vrijheden van het minderjarige kind wegen volgens de minister zwaarder dan het belang van [appellant] om kennisname van gegevens over dat kind.

Uitspraak

202402972/2/A3.

Datum beslissing: 5 december 2025

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Financiën.

Procesverloop

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 2 april 2024 in zaak nr. 23/972.

De minister heeft de vertrouwelijke versie van een gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.

Het gaat om een besluit van 28 november 2022 over een inzageverzoek op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming van een minderjarig kind.

Overwegingen

1. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van het stuk kennis zal nemen. Volgens de minister is [appellant] niet de wettelijke vertegenwoordiger van het minderjarige kind. Daarom heeft hij geen recht op inzage van de persoonsgegevens van dat kind. De bescherming van de rechten en vrijheden van het minderjarige kind wegen volgens de minister zwaarder dan het belang van [appellant] om kennisname van gegevens over dat kind.

2. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3. De geheimhoudingskamer van de Afdeling heeft kennisgenomen van de stukken. Zij stelt vast dat deze persoonsgegevens bevatten over een minderjarig kind. Dat het in dit geval gaat om een minderjarig kind, betekent dat een zwaarder gewicht moet worden toegekend aan het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Dat belang weegt naar het oordeel van de Afdeling in dit geval zwaarder dan het belang van [appellant] bij kennisname van de informatie. Bovendien heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat zijn procespositie in het geding komt als hij geen kennis kan nemen van de gegevens.

4. De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming gerechtvaardigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek toe.

Aldus vastgesteld door mr. N.H. van den Biggelaar, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. S.R. Renkema, griffier.

w.g. Van den Biggelaar

lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer

w.g. Renkema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025

1071

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S.R. Renkema

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?